Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2834

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
200103171/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103171/1.

Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Assen van 11 mei 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 1999 heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Staatssecretaris) aan appellanten op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij de tweede extreem zware regenval 1998 (hierna: de Regeling) een tegemoetkoming toegekend.

Bij besluit van 12 april 2000 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat het bedrag aan teveel uitbetaalde tegemoetkoming ad ƒ 670,80/€ 304,310 nog zal worden teruggevorderd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 mei 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard voorzover dit was gericht tegen de terugvordering, de bestreden beslissing op bezwaar op dat punt vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 18 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 19 juni 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 juli 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2002, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. drs. J.A. van 't Slot, gemachtigde, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door

mr. M.C. van der Haar, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en ongevallen (hierna: de Wet), voor zover hier van belang, heeft een gedupeerde recht op een tegemoetkoming in de aldaar genoemde categorieën van schaden en kosten, voor zover de schade die hij heeft geleden, is ontstaan in het schadegebied en het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een overstroming door zoet water, een aardbeving dan wel een ramp of een zwaar ongeval waarop deze wet ingevolge artikel 3 van toepassing is verklaard.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wet kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat, met uitzondering van schade die het gevolg is van gederfde omzet, andere schade- en kostencategorieën dan de in het eerste lid genoemde voor een tegemoetkoming in aanmerking komen.

De Wet is van toepassing verklaard op de schade en kosten die zijn ontstaan als gevolg van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998.

2.2. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de door appellanten gestelde omzetschade op grond van de Wet en de daarop gebaseerde Regeling niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt. Voorts wordt in hoger beroep bestreden het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel.

2.3. Zoals de Afdeling bij uitspraak van 14 november 2001 inzake nr. 200101453/1 (aangehecht) heeft geoordeeld, is een tegemoetkoming in schade die het gevolg is van gederfde omzet door de wetgever uitdrukkelijk uitgesloten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze vorm van schade voor eigen rekening blijft, omdat het wordt geacht tot het normale ondernemingsrisico te behoren (onder andere EK, 1997-1998, 25 159, nr. 140b, blz. 5). De rechtbank is dan ook terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de door appellanten gestelde omzetschade op grond van de Wet noch op grond van de Regeling voor vergoeding in aanmerking komt.

2.3.1. Niet is gebleken dat namens de Staatssecretaris een (ondubbelzinnige) toezegging is gedaan dat een tegemoetkoming in de schade door het stilliggen van de activiteiten zal worden toegekend. Reeds hierom heeft de rechtbank met recht geoordeeld dat geen sprake is van een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schothorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Schothorst

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

229-408.