Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2830

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
200105128/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 180K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105128/2.

Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting "Stichting Brabantse Milieufederatie", gevestigd te Tilburg, de vereniging " IVN Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie", gevestigd te Nuenen, en Staatsbosbeheer, gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,

2. [appellant sub 2], gevestigd te [plaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Son en Breugel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2001 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Franciscushoeve B.V." een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij op het perceel Olen ongenummerd te Breugel, kadastraal bekend gemeente Son en Breugel, sectie D, nummers 2200 en 3971. Dit aangehechte besluit is op 6 september 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 16 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2001, appellante sub 2 bij brief van 15 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 16 oktober 2001, en appellant sub 3 bij brief van 17 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen per fax op 17 oktober 2001, beroep ingesteld. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 19 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Bij uitspraak van 21 december 2001 heeft de Voorzitter het besluit van verweerders van 24 augustus 2001 bij wijze van voorlopige voorziening geschorst.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, gemachtigde, appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, appellant sub 3, vertegenwoordigd door mr. G.L.M. Teeuwen, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door P.T.H.M. de Booij, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Eindhoven, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende oprichtingsvergunning heeft betrekking op het houden van 84 kraamzeugen (Groen Label), 279 guste/dragende zeugen (Groen Label), 1248 gespeende biggen (Groen Label), 108 opfokzeugen (Groen Label), 2184 vleesvarkens (Groen Label) en 4 dekberen (Groen Label).

2.2. Ter zitting heeft appellante sub 2 de beroepsgrond inzake de gevolgde procedure met betrekking tot de MER-beoordelingsplicht ingetrokken.

2.3. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellante sub 2 heeft de grond inzake het verlaten van de grondslag van de aanvraag niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante sub 2 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.4. Appellanten sub 1, 2 en 3 betogen onder meer dat het besluit in strijd is met de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet). Zij voeren hiertoe aan, dat de door verweerders bij de toepassing van het ammoniakreductieplan gehanteerde algemeen-belang-uitzonderingsclausule onverbindend is wegens strijd met de Interimwet. Daarnaast menen appellanten sub 1, 2 en 3 dat het in dit geval niet gaat om een nieuwvestiging om zwaarwegende redenen ter behartiging van het algemeen belang.

2.4.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat in dit geval van het in het ammoniakreductieplan opgenomen emissie-stand-still-beginsel kan worden afgeweken vanwege zwaarwegende redenen ter behartiging van het algemeen belang. In dit verband hebben zij aangevoerd dat sprake is van een bedrijfsverplaatsing in het kader van de “Bedrijfsregeling varkensbedrijven in de ecologische hoofdstructuur” (BEVAR).

2.4.2. De Interimwet kent een specifieke regeling voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de door een veehouderij veroorzaakte ammoniakdepositie bij beslissingen inzake de vergunningverlening.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Interimwet moet een vergunning voor een veehouderij worden geweigerd, voorzover de ammoniakdepositie die de veehouderij kan veroorzaken op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied, meer bedraagt dan de ingevolge de artikelen 4 tot en met 8 voor de betrokken veehouderij geldende waarde.

Ingevolge artikel 4 van de Interimwet geldt voor een veehouderij als waarde voor de ammoniakdepositie ten hoogste 15 mol, behoudens in gevallen, als aangegeven in de artikelen 5 tot en met 8.

Krachtens artikel 8, eerste lid, van de Interimwet kan de raad van een gemeente dan wel kunnen de raden van twee of meer gemeenten een plan vaststellen ter beperking van de ammoniakdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden en van de ammoniakemissies, die door veehouderijen in zijn onderscheidenlijk hun gemeenten worden veroorzaakt.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan in het plan worden bepaald dat voor veehouderijen een daarbij aangegeven hogere waarde geldt dan ingevolge de artikelen 4 tot en met 6 van de wet is toegestaan, indien in onmiddellijke samenhang daarmee de ammoniakdepositie die wordt veroorzaakt door een andere veehouderij, door intrekking of wijziging van de vergunning voor die veehouderij met het oog op het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen daarvan op verzoek van degene die die veehouderij drijft, zodanig vermindert dat de totale ammoniakdepositie op de in de betrokken gemeenten gelegen voor verzuring gevoelige gebieden afneemt en de totale ammoniakemissie van de veehouderijen in de betrokken gemeenten daalt.

Ingevolge artikel 9 van de Interimwet kan in een gemeente die is gelegen in een gebied, aangegeven in de bij de Wet verplaatsing mestproduktie behorende bijlage, in afwijking van artikel 4 geen vergunning worden verleend voor het oprichten van een veehouderij en blijft artikel 5, tweede volzin, buiten toepassing, tenzij voor de gemeente een plan geldt, als bedoeld in artikel 8 van de Interimwet.

Niet in geschil is dat de gemeente Son en Breugel is gelegen in een gebied als aangegeven in de hierboven bedoelde bijlage.

2.4.3. Het door de raad van de gemeente Son en Breugel vastgestelde ammoniakreductieplan is gebaseerd op het Ammoniakreductieplan voor Centraal- en Oost-Brabant. Niet in geschil is dat het plan qua methodiek overeenkomt met het ammoniakreductieplan van de gemeente Boxtel.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 31 augustus 1999, no. E03.96.1746 (gemeente Boxtel, AB 1999, 468), verzet de Interimwet zich er tegen dat in een ammoniakreductieplan een regeling wordt getroffen waarbij omstandigheden die geen verband houden met het bereiken van de doelstellingen van de wet, zoals die blijken uit de wettekst en de toelichting daarop, bepalend zijn voor de vaststelling van de waarde van de ammoniakdepositie. De Afdeling ziet geen aanleiding in dit geval anders te oordelen. De in hoofdstuk 4 van het ammoniakreductieplan neergelegde regeling volgens welke om zwaarwegende redenen ter behartiging van het algemeen belang in uitzonderingsgevallen van de uitgangspunten van hoofdstuk 4 van het plan en de in hoofdstuk 5 beschreven uitwerkingsmethodiek kan worden afgeweken moet, als zijnde een regeling als hiervoor bedoeld, buiten toepassing blijven. Het betoog van vergunninghouder dat uit de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2001, no. 200002534/1 (gemeente Schijndel, JM 2001/56) volgt dat een algemeen belangregeling, zoals in het onderhavige geval aan de orde, mag worden toegepast treft geen doel, reeds omdat in het ammoniakreductieplan van de gemeente Son en Breugel niet de voorwaarden zijn verbonden aan een verplaatsing in het kader van het algemeen belang zoals deze zijn opgenomen in het ammoniakreductieplan van de gemeente Schijndel.

Gelet op het vorenstaande hebben verweerders bij het nemen van het bestreden besluit met het terzijde schuiven van het emissie-stand-still-beginsel een onjuiste toepassing aan het ammoniakreductieplan gegeven.

2.5. De beroepen zijn, voorzover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient reeds hierom te worden vernietigd. De overige beroepsgronden hoeven derhalve geen behandeling meer.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 2 niet ontvankelijk voorzover het de beroepsgrond inzake het verlaten van de grondslag van de aanvraag betreft;

II. verklaart de beroepen voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Son en Breugel van 24 augustus 2001;

IV. veroordeelt burgemeester en wethouders van Son en Breugel in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 755,13 voor appellanten sub 1, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, tot een bedrag van € 673,45 voor appellante sub 2, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, tot een bedrag van € 644,00 voor appellant sub 3, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Son en Breugel te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de gemeente Son en Breugel aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20 voor appellanten sub 1, € 204,20 voor appellante sub 2 en € 102,10 voor appellant sub 3) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer - de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Beurmanjer-de Lange

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

241-373.