Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2825

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
200102567/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102567/1.

Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 12 april 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 1998 hebben burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd appellant vergunning te verlenen voor de bouw van een verdieping op de woning gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 6 juli 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 april 2001, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 juni 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 november 2001 respectievelijk 30 november 2001 hebben [derde] respectievelijk burgemeester en wethouders een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [derde]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2002, waar appellant in persoon, vertegenwoordigd door mr. A.J.M. Zebel-Vaudo, advocaat te Dordrecht, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. H.P. de Keijzer, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan heeft betrekking op het plaatsen van een dakopbouw op een bestaande woning.Ter plaatse zijn de als bestemmingsplan geldende “Voorschriften voor de bebouwde kom 1958” van kracht. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de voorschriften moet een gebouw of een gedeelte daarvan, dat is gelegen in het gedeelte van de bebouwde kom, dat op de bij deze verordening behorende tekening nr. 6563 K met een rode kleur is aangeduid en de aard van eengezinshuis beneden- en/of bovenwoning, meergezinshuis of anderszins die van woonruimte heeft deze aard blijven behouden. Ingevolge artikel 2, derde lid, mag een gebouw of een gedeelte daarvan, dat is gelegen in het in het eerste lid omschreven gebied en niet de aard van woonruimte heeft, niet worden vergroot. Ingevolge artikel 2, vierde lid, mag een in het in het eerste lid omschreven gebied op te richten gebouw uitsluitend de aard van eengezinshuis of beneden- en bovenwoning verkrijgen.

Niet in geschil is en vast staat dat het bouwplan niet in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan.

2.2. In het welstandsadvies dat burgemeester en wethouders aan hun beoordeling van de aanvraag ten grondslag hebben gelegd, is vermeld dat de ingreep een ernstige aantasting zou betekenen van het architectonische beeld van de wijk. In hun besluit van 6 juli 1999 hebben burgemeester en wethouders in verband hiermee verder overwogen dat de woningen aan de [locatie] zijn gebouwd met een plat dak en dat de structuur van deze kenmerkende bouwwijze nog steeds in tact is. Volgens burgemeester en wethouders betekent dit dat bouwplannen geen afbreuk mogen doen aan de architectuur en de stedenbouwkundige opzet van de wijk. Omdat dakopbouwen de architectuur in de wijk niet respecteren kunnen deze niet worden toegestaan.

2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat burgemeester en wethouders de grenzen van de welstandstoets niet hebben overschreden door het advies van de welstandscommissie te volgen. Volgens appellant heeft de welstandstoets een beperking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt tot gevolg.

2.4. Dit betoog slaagt. Het bestemmingsplan staat aan een uitbreiding van de woning met een dakopbouw niet in de weg. Het uitgebrachte welstandsadvies maakt dit echter geheel onmogelijk. Een verwezenlijking van de door het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden wordt door het volgen van het welstandsadvies mitsdien belemmerd.

De rechtbank heeft derhalve miskend dat burgemeester en wethouders de grenzen van de welstandstoets hebben overschreden door het advies van de welstandscommissie te volgen en hierin aanleiding te zien om de bouwvergunning te weigeren.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van appellant alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen.

2.6. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 12 april 2001, SBR 1999/1601;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Utrecht van 6 juli 1999, 99.001924 JZ;

V. draagt burgemeester en wethouders van Utrecht op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt burgemeester en wethouders van Utrecht in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.403,00, waarvan € 1.288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Utrecht te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de gemeente Utrecht aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 respectievelijk € 165,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Lodder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

17/369