Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2818

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
200102524/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 220 met annotatie van A. van Hall
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102524/1.

Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Verkeer en Waterstaat,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 20 april 2001 in het geding tussen:

het dagelijks bestuur van het zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden, gevestigd te Dordrecht

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 1998 heeft appellant (hierna: de minister) een verzoek van het dagelijks bestuur van het zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden (hierna: het dagelijks bestuur) om een bijdrage, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Deltawet, afgewezen.

Bij besluit van 7 april 2000 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door het dagelijks bestuur gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 april 2001, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door het dagelijks bestuur ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief van 17 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 oktober 2001 heeft het dagelijks bestuur een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2002, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. P. Putters en F.J. van Vliet, ambtenaren ten departemente, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. W.L. Bos, advocaat te Dordrecht, en ing. P. de Haan, medewerker van het zuiveringsschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder II, sub d, van de Deltawet worden ter beveiliging van het land tegen hoge stormvloeden werken uitgevoerd tot versterking van de hoogwaterkering langs de Rotterdamsche Waterweg en daarmede in open verbinding staande wateren.

In artikel 3, tweede lid, is bepaald dat, indien als gevolg van de uitvoering van de in artikel 1 bedoelde werken voorzieningen moeten worden getroffen ter aanpassing van bestaande waterstaatswerken of nieuwe vervangende werken tot stand moeten worden gebracht, dit geschiedt door de beheerders dan wel door degenen, die daartoe uit anderen hoofde verplicht zijn.

Ingevolge artikel 5, derde lid, wordt aan degene, die verplicht is tot uitvoering van werken of voorzieningen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, op aanvraag een bijdrage ten laste van het Rijk van 100 pct. in de kosten van uitvoering toegekend.

2.2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de minister een verzoek van het dagelijks bestuur afgewezen om een bijdrage, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Deltawet, ten behoeve van aanpassing van een effluentleiding van de afvalwaterzuiveringsinstallatie te Sliedrecht. De leiding loopt door een versterkte rivierdijk, in de zin van artikel 1 van de Deltawet, die onder beheer staat van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden.

2.3. Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de aanpassing van de leiding - die noodzakelijk is geworden als gevolg van werkzaamheden aan de dijk - moet worden beschouwd als een voorziening ter aanpassing van een bestaand waterstaatswerk in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Deltawet.

2.4. Weliswaar heeft de rechtbank miskend dat bij de beantwoording van deze vraag niet kan worden voorbijgegaan aan de daarmee samenhangende vraag of de effluentleiding zelf kan worden aangemerkt als een waterstaatswerk, maar dat laat onverlet dat zij tot het juiste oordeel is gekomen dat de minister de afwijzing van de aanvraag van het dagelijks bestuur in bezwaar ten onrechte heeft gehandhaafd.

Gebleken is dat de effluentleiding niet slechts dient voor de afvoer van, door de afvalwaterzuiveringsinstallatie gezuiverd, afvalwater, maar ook - en zelfs in overwegende mate - een functie heeft voor de afvoer van regenwater, dat op verharde oppervlakken valt, naar groot oppervlaktewater, te weten de rivier de Merwede. Reeds gelet op die waterkwantiteitsfunctie moet de leiding in dit geval als een waterstaatswerk worden aangemerkt.

De minister kan niet worden gevolgd in het betoog dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Deltawet (TK, 1968-1969, 7 173, nr. 6, p. 8) moet worden afgeleid dat het dagelijks bestuur niet voor een rijksbijdrage ten behoeve van de aanpassing van de effluentleiding in aanmerking komt. Niet alleen kan uit de desbetreffende passage niet worden opgemaakt dat bij verlegging van leidingen volgens de wetgever in het geheel geen plaats is voor een toekenning op de voet van artikel 5, derde lid, gelezen in samenhang met in artikel 3, tweede lid, van de Deltawet, maar bovendien blijkt niet dat hij daar ook het oog heeft gehad op de situatie dat, zoals in het voorliggende geval, de leiding op zichzelf reeds als een waterstaatswerk moet worden beschouwd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.6. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de Minister van Verkeer en Waterstaat in de door dagelijks bestuur van het zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan het zuiveringsschap te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. E. Korthals Altes, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Korthals Altes w.g. Schuurman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

282.