Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2797

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
200003788/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200003788/1.

Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Nunspeet,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2000, kenmerk 2756, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet deels verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een vleeskalverenbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit aangehechte besluit is op 29 juni 2000 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 augustus 2000, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2000, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 september 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2001, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door J. Korterink, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door ing. L. Polinder, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op een veehouderijbedrijf aan [locatie] te [plaats]. Op grond van de verleende vergunning mogen in de inrichting 144 vleesstierkalveren (0 tot 6 maanden), 545 vleeskalveren (0 tot 8 maanden) en 5 schapen ouder dan 1 jaar worden gehouden. Voor de inrichting is eerder op 29 november 1976 een oprichtingsvergunning, en op 12 januari 1978 en op 18 juli 1985 een veranderingsvergunning krachtens de Hinderwet verleend.

2.2. Het beroep van appellante houdt verband met de door de inrichting veroorzaakte ammoniakdepositie.

Blijkens het bestreden besluit is de vergunningverlening, voorzover het de depositie van ammoniak betreft, gebaseerd op artikel 3 in samenhang met artikel 5 van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet). Verder ligt aan het besluit ten grondslag de saldomethode, als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Interimwet. Uit het bestreden besluit komt naar voren dat van het veehouderijbedrijf van [veehouder] aan de [locatie] te [plaats] 269,5 kg NH3 is overgenomen, waarvan 202,1 kg NH3 effectief kan worden benut.

2.2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Interimwet moet een vergunning voor een veehouderij worden geweigerd, voorzover de ammoniakdepositie die de veehouderij kan veroorzaken op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied, meer bedraagt dan de ingevolge de artikelen 4 tot en met 8 voor de betrokken veehouderij geldende waarde.

Ingevolge artikel 5 van de Interimwet geldt voor een veehouderij waarvoor op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, een onherroepelijke vergunning gold, - behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 6 - als waarde voor de ammoniakdepositie: de waarde van de depositie die op die datum ingevolge die vergunning ten hoogste was toegestaan. Indien deze waarde minder bedraagt dan 15 mol, geldt als waarde ten hoogste 15 mol.

Krachtens artikel 8, eerste lid, van de Interimwet kan de raad van een gemeente dan wel kunnen de raden van twee of meer gemeenten een plan vaststellen ter beperking van de ammoniakdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden en van de ammoniakemissies, die door veehouderijen in zijn onderscheidenlijk hun gemeenten worden veroorzaakt.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan in het plan worden bepaald dat voor veehouderijen een daarbij aangegeven hogere waarde geldt dan ingevolge de artikelen 4 tot en met 6 van de wet is toegestaan, indien in onmiddellijke samenhang daarmee de ammoniakdepositie die wordt veroorzaakt door een andere veehouderij, door intrekking of wijziging van de vergunning voor die veehouderij met het oog op het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen daarvan op verzoek van degene die die veehouderij drijft, zodanig vermindert dat de totale ammoniakdepositie op de in de betrokken gemeenten gelegen voor verzuring gevoelige gebieden afneemt en de totale ammoniakemissie van de veehouderijen in de betrokken gemeenten daalt.

2.2.2. Verweerders hebben de saldomethode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Interimwet toegepast, die is neergelegd in het ammoniakreductieplan “Agrarische Enclave Uddel-Elspeet-Garderen-Speuld” (hierna: het ARP-AE). In het ARP-AE is bepaald dat bij toepassing van de saldomethode een korting van 50% wordt toegepast op de te verplaatsen emissie. Voorts is in het plan bepaald: “Daar voor vleeskalveren deze systemen” (d.w.z. erkende emissie-arme stalsystemen) “nog niet voorhanden zijn, wordt met betrekking tot deze diercategorie genoegen genomen met 25% tot er een emissie-arm stalsysteem is. Zodra er een emissie-arm stalsysteem is, geldt ook voor kalveren een korting van 50%.”

2.2.3. Appellante heeft betoogd dat het ARP-AE in strijd is met de Interimwet, nu hierin verschillende reductiepercentages zijn opgenomen, afhankelijk van de diersoort ten behoeve waarvan toepassing wordt gegeven aan de saldomethode.

De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat de in het plan neergelegde regeling van de saldomethode is aan te merken als een met het recht strijdige implementatie van artikel 8, vierde lid, van de Interimwet. Weliswaar verzet de Interimwet zich, zoals appellante stelt, er tegen dat in een ammoniakreductieplan een regeling wordt getroffen waarbij omstandigheden die geen verband houden met het bereiken van de doelstellingen van die wet bepalend zijn voor de vaststelling van de waarde van de ammoniakdepositie, maar blijkens het ARP-AE berust het gemaakte onderscheid op de beschikbare technische middelen om tot een reductie van de ammoniakemissie te komen. Dit is een onderscheid dat verband houdt met de doelstelling van de wet. Mitsdien is het gemaakte onderscheid verenigbaar met de Interimwet.

2.3. Appellante heeft verder gesteld dat niet voldaan wordt aan het vereiste van onmiddellijke samenhang, nu het intrekkingsbesluit pas in werking treedt wanneer de onderhavige vergunning onherroepelijk wordt.

2.3.1. Blijkens de stukken is de milieuvergunning van [veehouder] te [plaats] ingetrokken ten behoeve van de onderhavige revisievergunning. In het dictum van dit intrekkingsbesluit is bepaald dat dit besluit pas geëffectueerd wordt op het moment dat positief is beslist op de aanvraag om milieuvergunning en deze vergunning onherroepelijk is geworden.

Dit heeft tot gevolg dat tot aan het moment van het onherroepelijk worden van het bestreden besluit de in het geding zijnde milieuvergunning reeds in werking is getreden, terwijl (een gedeelte van) de vergunning die is ingetrokken om saldering mogelijk te maken, ook nog in werking is.

Ter zitting is evenwel gebleken dat gedurende genoemde periode niet tegelijkertijd door vergunninghouders van de onderwerpelijke rechten gebruik is gemaakt, zodat is voldaan aan de doelstelling van het vereiste van onmiddellijke samenhang als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Interimwet. Gezien het dictum van het intrekkingsbesluit treedt dit met het thans onherroepelijk worden van de onderhavige vergunning in werking.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Gemert

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

243.