Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2792

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
200102638/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102638/1.

Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 9 april 2001 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders van Bloemendaal.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 1999 hebben burgemeester en wethouders van Bloemendaal (hierna: burgemeester en wethouders) afwijzend beslist op het verzoek van [verzoeker] handhavend op te treden tegen het gebruik door [gebruiker] van een bijgebouw op het perceel [locatie] te [plaats] in strijd met het bestemmingsplan.

Bij besluit van 13 juni 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar -voor zover hier relevant- ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 9 april 2001, verzonden op 10 april 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 juli 2001 heeft [verzoeker] een reactie ingediend.

Bij brief van 6 augustus 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant, waaronder een besluit van burgemeester en wethouders van

19 februari 2002 waarbij zij aan appellant vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening hebben verleend voor het gebruik van het bijgebouw als kantoor- en praktijkruimte.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. W.J.R.M. Welschen, advocaat te Haarlem, [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. R.Th. Kirpestein, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door

mr. drs. M. Huisman, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het geldende bestemmingsplan “Kweekduin” rust op het perceel de bestemming “Eengezinshuizen in open bebouwing met bijbehorende erven”. Vast staat dat het gebruik van het bijgebouw als werkruimte/atelier ten behoeve van een reclamestudio strijdig is met de bestemming. Inmiddels hebben burgemeester en wethouders, bij in het procesverloop genoemd besluit van 19 februari 2002, aan appellant een vrijstelling verleend. Burgemeester en wethouders hebben deze vrijstelling verleend, omdat zij blijkens de door hen ingediende memorie van antwoord tot de conclusie waren gekomen dat het niet opportuun was hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank.

2.2. In hoger beroep is aan de orde of het gebruik waarop het verzoek van [verzoeker] betrekking heeft, wordt beschermd door het in artikel 37 van de planvoorschriften neergelegd overgangsrecht. Met de rechtbank moet worden vastgesteld dat burgemeester en wethouders geen onderzoek hebben gedaan naar de feitelijke aard en omvang van het ten tijde van de beslissing op bezwaar bestaande gebruik, zodat niet kan worden beoordeeld of dit gebruik wordt beschermd door het overgangsrecht. Dit gebrek spreekt te meer nu op grond van hetgeen door partijen ter zitting in hoger beroep over en weer is gesteld, ernstig moet worden betwijfeld of een beroep op de bescherming van het overgangsrecht enige kans van slagen heeft.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank derhalve terecht niet toegekomen aan de vraag of bijzondere omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan burgemeester en wethouders van handhavend optreden hadden moeten afzien. Hetgeen appellant hierover betoogt kan derhalve niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Bekker, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Bekker w.g. Lodder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

17-387.