Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
200102082/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102082/1.

Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging “Vereniging van eigenaren van het flatgebouw Ceintuurbaan III", gevestigd te Bussum,

appellante,

en

het College voor zorgverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 1999 heeft verweerder een aanvraag van appellante om subsidie voor een aanpassing aan de gemeenschappelijke ruimte van het flatgebouw “Ceintuurbaan III” op grond van de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring woningaanpassingen gehandicapten afgewezen.

Bij besluit van 21 maart 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 25 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2001, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 oktober 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.Th. de Walle, advocaat te Utrecht, vergezeld van [bestuurslid], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J. Hallie, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 23 november 1995 heeft de Ziekenfondsraad de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring woningaanpassingen gehandicapten (hierna: de Regeling) vastgesteld, die met ingang van 1 januari 1996 in werking is getreden.

Met deze beleidsregeling, als nadien gewijzigd, heeft de Ziekenfondsraad te kennen gegeven hoe hij de hem destijds ingevolge artikel 39, derde lid, aanhef en onder h, van de Wet financiering volksverzekeringen toekomende bevoegdheid zou uitoefenen en met toepassing ervan verstrekt verweerder, in dezen opvolger van de Ziekenfondsraad, subsidie.

2.2. Volgens artikel 1, aanhef en onder a, van de Regeling, wordt onder woning verstaan een huis of een daarmee vergelijkbare wooneenheid in Nederland die dient tot persoonlijke, zelfstandige en vaste bewoning door een lichamelijk gehandicapte, met uitzondering van een bejaardenoord.

In artikel 2, eerste lid, van de Regeling is, voorzover hier van belang, bepaald dat de Ziekenfondsraad ten behoeve van de financiering van individuele aanpassing van woningen voor krachtens de AWBZ verzekerde gehandicapten gelden uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten ter beschikking stelt.

Volgens artikel 3, eerste lid, van de Regeling komt voor subsidiëring slechts in aanmerking de woningaanpassing voor een verzekerde voor wie een indicatie bestaat voor opneming in een instelling ten laste van de bijzondere ziektenkostenverzekering, welke opneming door een woningaanpassing kan worden voorkomen of voor langere duur uitgesteld, voor wie verhuizing of aangepaste inrichting van de woning geen beter of minder kostend alternatief bieden, en voor wie de woningaanpassing, mede gelet op de thuis te verlenen zorg, ten opzichte van opneming in een instelling als doelmatig kan worden beschouwd.

Volgens artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, komt slechts voor subsidiëring in aanmerking de woningaanpassing die een bedrag van ƒ 45.000,00 te boven gaat.

Volgens artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling kunnen, indien de aan te passen woning deel uitmaakt van een woongebouw, in de subsidiëring worden begrepen de kosten van het aanbrengen van elektrische deuropeners in de gemeenschappelijke ruimten. In het tweede lid van laatstgenoemd artikel is bepaald dat de in het eerste lid genoemde voorzieningen slechts voor subsidiëring in aanmerking komen, indien zonder deze voorzieningen de woning voor de gehandicapte niet of slecht toegankelijk is.

2.3. De toelichting op de Regeling luidt, voorzover hier van belang:

”Uitgangspunt van de onderhavige subsidieregeling is, het zelfstandig kunnen blijven wonen van zwaar lichamelijk gehandicapten. (…) Uitsluitend woningaanpassingen die noodzakelijk zijn in verband met ergonomische belemmeringen komen voor subsidie in aanmerking. Voorts moet de verzekerde een indicatie voor opneming in een AWBZ-instelling hebben.”.

2.4. Bij het bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde besluit heeft verweerder de gevraagde subsidie geweigerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de artikelen 2 en 6 in onderling verband bezien, aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten slechts op grond van de Regeling gesubsidieerd worden, indien ook de woning van de gehandicapte op grond van die Regeling wordt aangepast en dat dit in deze zaak niet het geval is.

2.5. Appellante kan zich met dit standpunt niet verenigen. Zij heeft aangevoerd dat de door verweerder gehanteerde voorwaarde dat het aanbrengen van voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten slechts subsidiabel zou zijn, indien in één van de woningen een woningaanpassing heeft plaatsgevonden waarvan de kosten meer dan ƒ 45.000,00 bedragen noch in de tekst van de Regeling, noch in de toelichting daarop, is vermeld en dat de consequentie van deze voorwaarde onaanvaardbaar is.

2.6. Naar het oordeel van de Afdeling is, gelet op vorengenoemde artikelen alsmede de toelichting op de Regeling in onderlinge samenhang bezien, de uitleg van verweerder juist. Nu in dit geval geen sprake is van een indicatie voor een AWBZ-instelling en derhalve ook geen sprake is van een aanpassing van een woning in de zin van de Regeling, is niet voldaan aan een voorwaarde voor subsidiëring van een aanpassing aan de gemeenschappelijke ruimte als bedoeld in artikel 6 van de Regeling. Niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat niet onverkort aan de Regeling kon worden vastgehouden. Verweerder heeft dan ook het bezwaar van appellante terecht ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

119-362.