Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2782

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
200104576/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2002/3761
JB 2002/172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104576/1.

Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 6 augustus 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Landgraaf.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 1997 heeft de raad van de gemeente Landgraaf (hierna: de raad) appellant op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) een schadevergoeding van ƒ 30.000,00 toegekend.

Bij besluit van 18 juni 1998 heeft de raad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van 23 maart 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 6 augustus 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de raad een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 5 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 oktober 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Van het indienen van een memorie van antwoord heeft de raad afgezien.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door dr. mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.P.M. Paas, ambtenaar der gemeente, vergezeld van mr. D.C.E. de Groot, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ), zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de WRO, voorzover hier van belang, kent de gemeenteraad, voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de beslissing omtrent een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van deze wet schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.3. Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade in de vorm van waardevermindering van zijn woning als gevolg van de groei, en de daarmee gepaard gaande toename van verkeersbewegingen en geluidoverlast, van een nabijgelegen tuincentrum, waarvoor drie - afzonderlijke en onherroepelijke - vrijstellingen als bedoeld in artikel 19 van de WRO zijn verleend.

2.4. De raad heeft bij het bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde besluit, in navolging van een advies van de SAOZ, schadevergoeding toegekend. Daarbij heeft hij aangegeven dat bij de vergelijking tussen het planologische regime krachtens het "Uitbreidingsplan aanwijzende de bestemming in hoofdzaak" en de planologische situatie nadat daarvan ten behoeve van de bouw van een verkoopkas, opslagloods en het gedeeltelijk vergroten van het tuincentrum vrijstellingen zijn verleend, uitgegaan dient te worden van een maximale invulling, ongeacht of deze ooit zou zijn gerealiseerd.

Appellant kan zich met de gemaakte vergelijking noch met de hoogte van het toegekende bedrag verenigen.

2.5. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen - onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2000 in zaak no. 199901105/1 en het (aanvullend) advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB) die zij als deskundige heeft benoemd - dat, daargelaten of, en zo ja in hoeverre, van de uitkomsten van een gemaakte planologische vergelijking moet worden afgeweken, indien de theoretisch maximaal toegestane bebouwingsmogelijkheden feitelijk onmogelijk te verwezenlijken (zouden) zijn, in het onderhavige geval geen objectieve aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat de mogelijkheden die het voorheen geldende planologische regime bood om praktische redenen nimmer benut hadden kunnen worden en dat niet relevant is of gebruikmaking van alle mogelijkheden van dat regime op enig moment voor de hand zou hebben gelegen. Volgens de rechtbank dient derhalve de grief van appellant met betrekking tot de bepaling van de maximaal te realiseren bebouwing onder het voorheen geldende planologische regime te falen.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat de StAB als een deskundige op het gebied van planschade dient te worden beschouwd, dat zij in beginsel op het StAB-advies, als aangevuld, mag afgaan en dat niet is gebleken dat dit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen danwel anderszins gebreken bevat.

De rechtbank is op grond van dat advies tot het oordeel gekomen dat appellant geen noemenswaardig planologisch nadeel van de eerste twee vrijstellingsbesluiten heeft ondervonden en dat de SAOZ het als gevolg van het derde vrijstellingsbesluit geleden planologisch nadeel, door bij de bepaling ervan na te laten een taxatie op te stellen van de waarde van het perceel van appellant onder het oude regime, op onjuiste wijze heeft vastgesteld. In verband met dit laatste heeft de rechtbank de beslissing op bezwaar wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd.

2.6. Appellant heeft hoger beroep ingesteld teneinde een verdergaande vernietiging te bewerkstelligen, waarbij de volgens hem op onjuiste danwel onvoldoende gemotiveerde wijze door de rechtbank verworpen gronden wel worden gehonoreerd.

Naar zijn mening is de vergelijking van planologische regimes op onjuiste wijze uitgevoerd, omdat daarbij onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat de maximale invulling, gelet op de eis van een minimale oppervlakte van 5 ha aan bedrijfsterrein, nimmer zou kunnen worden gerealiseerd. Verder heeft hij niet uitsluitend van het derde vrijstellingsbesluit, maar ook van de twee andere vrijstellingsbesluiten planologisch nadeel ondervonden. Tevens heeft hij betoogd dat er in dit geval bovendien redenen zijn om aan te nemen dat aan het advies van de StAB zodanige gebreken kleven dat de rechtbank de overwegingen daarvan niet zo maar tot de hare mocht maken, nu de aanvullend gestelde vragen, met name wat betreft het gebruik van het weggetje achter de woning en de maatregelen die hij ter afscherming van geluid en inkijk heeft genomen, niet volledig zijn beantwoord.

2.7. Naar het oordeel van de Afdeling is in de StAB-advisering, met gedeeltelijke verwijzing naar het SAOZ-advies, voldoende uiteengezet dat de interpretatie van appellant van vorenbedoelde eis van 5 ha onjuist is. Voor het voldoen aan de eis dat de totale oppervlakte van de bij het bedrijf in gebruik zijnde of te nemen gronden tenminste 5 ha bedragen, is niet noodzakelijk dat het bedrijfsterrein als zodanig een dergelijke minimale oppervlakte heeft en evenmin dat de gronden in de directe omgeving van het bedrijf zijn gelegen. Indien een eventuele aanvrager van een bouwvergunning over tenminste 5 ha aan verspreid liggende gronden zou (kunnen) beschikken, zou ook aan die eis zijn voldaan. Niet is gebleken of aannemelijk gemaakt dat dit feitelijk nimmer zou kunnen worden gerealiseerd. Derhalve kan niet staande worden gehouden dat in de vereiste vergelijking van planologische regimes op dit punt van een onjuiste invulling van het oude planologische regime is uitgegaan.

Voorts kan niet staande worden gehouden dat de advisering van de StAB onzorgvuldig moet worden geacht, omdat de door de rechtbank geformuleerde vragen niet volledig zijn beantwoord. Na haar - in hoger beroep niet betwiste - conclusie dat een taxatie van de waarde van appellants perceel onder het oude planologische regime niet kan worden gemist, kwam de StAB aan beantwoording van de vervolgvragen niet meer toe. Niet valt in te zien dat sprake is van een zodanige gebrekkige advisering dat de rechtbank de overwegingen daarvan niet tot de hare heeft mogen maken. Dit is naar het oordeel van de Afdeling echter anders wat betreft de gevolgen van het tweede vrijstellingsbesluit. De op dit punt in het, volgens de StAB bruikbare, SAOZ-advies gegeven conclusie dat geen sprake is van een schadeveroorzakende planologische mutatie, aangezien niet alleen tussen de opslagloods en het perceel van appellant de verkoopkas staat maar vooral ook omdat de opslagloods door de vrijstelling verder van het perceel is gebouwd, is, mede gelet op het ter zitting nader verkregen inzicht in de situatie ter plaatse, onvoldoende gemotiveerd om aan te nemen dat als gevolg van de tweede vrijstelling geen zichtschade voor appellant is ontstaan. Dit brengt met zich dat niet kan worden uitgesloten dat het door appellant geleden planologisch nadeel op dit punt groter is dan door de raad is begroot. Derhalve had de beslissing op bezwaar - anders dan de rechtbank heeft gedaan - ook wat betreft de vaststelling van het planologisch nadeel als gevolg van het tweede vrijstellingsbesluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb dienen te worden vernietigd. In zoverre slaagt het betoog van appellant in hoger beroep. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar vernietigd, zodat de uitspraak in zoverre - zij het onder verbetering van gronden - in stand kan blijven.

Echter bij de te nemen beslissing op bezwaar zal door de raad - in afwijking van wat de rechtbank heeft bepaald - het planologisch nadeel als gevolg van zowel het tweede als het derde vrijstellingsbesluit moeten worden heroverwogen.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. Het onderdeel van de uitspraak van de rechtbank waarbij is bepaald dat de raad een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in die uitspraak, kan niet in stand blijven. De Afdeling zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, namelijk de raad opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.7 is overwogen. De aangevallen uitspraak kan, aangezien de andere dicta juist zijn, voor het overige worden bevestigd.

2.9. De raad van de gemeente Landgraaf dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 6 augustus 2001, AWB 98/1060, voorzover daarbij is bepaald dat de raad van de gemeente Landgraaf een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in de uitspraak van de rechtbank;

II. draagt de raad van de gemeente Landgraaf op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Landgraaf in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 697,48, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Landgraaf te worden betaald aan appellant;

V. gelast dat de gemeente Landgraaf aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 154,29) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. B.J. van Ettekoven, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

119-420.