Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2780

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
200104715/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104715/1.

Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 15 augustus 2001 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark van de gemeente Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 1998 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast het [vaartuig], gelegen in de [locatie], uit het stadsdeel Westerpark te verwijderen.

Bij besluit van 27 april 1999 heeft het dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor beroep- en bezwaarschriften Westerpark, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 15 augustus 2001, verzonden op 3 september 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 oktober 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 februari 2002 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend. Op 8 april 2002 zijn nadere stukken ingezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. C. Sjenitzer, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. P. Bröcker, ambtenaar bij het stadsdeel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.1, onder a, van de Verordening op de haven en het binnenwater (hierna: de verordening) wordt onder een woonboot verstaan: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woonverblijf.

Ingevolge artikel 2.1, onder d, van de verordening wordt onder een pleziervaartuig verstaan: een schip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de verordening - voor zover hier van belang - is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders met een woonboot ligplaats in te nemen.

Ingevolge artikel 2.13, tweede lid, van de verordening - voor zover hier van belang - is het verboden met pleziervaartuigen die langer zijn dan 12 m, over het dek gemeten, af te meren.

Ingevolge het derde lid van artikel 2.13 - voor zover hier van belang - kunnen burgemeester en wethouders van het verbod in het tweede lid ontheffing verlenen.

Ingevolge artikel 2.13, vijfde lid, van de verordening - voor zover hier van belang - is het verboden, nadat een ontheffing als bedoeld in het derde lid is geweigerd, in de gemeente af te meren met het betrokken pleziervaartuig.

2.2. Het dagelijks bestuur heeft [vaartuig] bij de bestreden beslissing op bezwaar gekwalificeerd als een pleziervaartuig met een afmeting van 12.70 m en derhalve als een vaartuig als bedoeld in artikel 2.1, onder d, van de verordening. Nu met dit vaartuig ligplaats in de [locatie] was ingenomen zonder dat appellant over de vereiste ontheffing beschikte, heeft het dagelijks bestuur geconcludeerd dat het verbod van artikel 2.13 van de verordening is overtreden.

De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het dagelijks bestuur bevoegd was om handhavend op te treden. Appellant heeft deze conclusie op zichzelf ook niet bestreden.

2.3. De Afdeling overweegt voorts dat alleen in bijzondere gevallen van het bestuursorgaan kan worden verlangd dat het van handhavend optreden tegen een illegale situatie afziet. Een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen indien concreet zicht op legalisering van de illegale situatie bestaat.

2.4. Niet in geschil is dat legalisatie van het afmeren als pleziervaartuig door het alsnog verlenen van ontheffing niet tot de mogelijkheden behoort, omdat [vaartuig] niet voldoet aan de specifieke eisen die daartoe worden gesteld. Appellant heeft ter zitting aangegeven legalisatie van het afmeren als pleziervaartuig ook niet te verlangen. Naar zijn mening dient [vaartuig] als woonboot in de zin van artikel 2.1, onder a, van de verordening te worden aangemerkt en zou het vaartuig al jaren, in elk geval sinds 1989, als zodanig zijn gedoogd. Het dagelijks bestuur heeft de juistheid van dit standpunt bestreden.

2.5. De Afdeling acht niet aangetoond dat enig zicht bestaat op legalisatie van het innemen van ligplaats door [vaartuig] als woonboot. Zij overweegt daartoe in de eerste plaats dat het dagelijks bestuur bij besluit van 10 november 1998 een aanvraag om ligplaatsvergunning voor dit vaartuig als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de verordening - mede onder aankondiging van bestuursdwang - heeft afgewezen en dit besluit inmiddels onherroepelijk is geworden.

Anders dan appellant ziet de Afdeling voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [vaartuig] na één van de in de gemeente gehouden gedoogrondes als woonboot was aangemerkt en het innemen van ligplaats voor legalisatie in aanmerking kwam. De ter zitting aangevoerde stelling dat uit een brief van 26 juni 1991 van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellant] zou blijken dat het innemen van ligplaats door [vaartuig] als woonboot was gelegaliseerd, acht de Afdeling onjuist. Daargelaten de vraag of het in die brief bedoelde vaartuig, genaamd de Jopi, het vaartuig was waarvan in dit geding sprake is, moet worden vastgesteld dat die brief niet meer inhoudt dan een aanwijzing op welke wijze een ligplaatsvergunning zou kunnen worden verkregen, zodat hieraan geen betekenis kan worden toegekend nu vast staat dat deze brief niet tot het afgeven van een ligplaatsvergunning voor het in geding zijnde vaartuig heeft geleid. Aan de door appellant aangehaalde sloopverklaring van 5 juni 1989 kan in dit kader evenmin gewicht worden toegekend, aangezien deze verklaring zag op een vaartuig met een afmeting van 20 m en derhalve geen betrekking kan hebben gehad op het hier aan de orde zijnde vaartuig. Dat er voor [vaartuig] liggelden zijn betaald, leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat het innemen van ligplaats door [vaartuig] als woonboot was gedoogd. Ook hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de voorgeschiedenis, de bewoning en de inrichting van [vaartuig] biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het innemen van ligplaats door het vaartuig als woonboot was gedoogd en dat om die reden geen betekenis zou toekomen aan de onherroepelijke weigering ligplaatsvergunning te verlenen.

2.6. Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat het dagelijks bestuur de bestuursdwangaanzegging op grond van artikel 2.13 van de verordening terecht heeft gehandhaafd. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Broodman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

204-393.