Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2779

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
200104900/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2002/1571
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104900/1.

Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "De Giraf B.V.", gevestigd te Emmen,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Emmen,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2001, kenmerk WM2000.28, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een hotel, restaurant en een sport- en congrescentrum op het perceel Van Schaikweg 55 te Emmen, kadastraal bekend gemeente Emmen, sectie F, nummers 11581, 12627, 12628 (gedeeltelijk), 13186, 13187, 13188 en 13189. Dit aangehechte besluit is op 27 augustus 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 november 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan verweerders toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A. Kaspers, advocaat te Amsterdam,

en verweerders, vertegenwoordigd door T.G.M. Koopman en W. Klement, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het geding heeft betrekking op het horecabedrijf “De Giraf”, dat bestaat uit een hotel, twee restaurants, verschillende kleine congreszalen en een viertal grote zalen, waarvan twee zalen voornamelijk worden gebruikt voor grotere congressen en evenementen en de andere twee zalen voor tennis- en grote evenementen. Laatstbedoelde evenementen vinden enkele malen per jaar plaats met een maximum van twaalf keer per jaar.

Ter zitting is vast komen te staan dat het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, gelet op artikel 3, tweede lid, onder b, van dit Besluit, niet van toepassing is en dat derhalve voor de onderhavige inrichting een vergunning krachtens de Wet milieubeheer is vereist.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellante heeft de in het beroepschrift aangevoerde gronden, behoudens de gronden met betrekking tot de voorschriften C.6 tot en met C.9, niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Het beroep van appellante heeft betrekking op de aan de vergunning verbonden voorschriften C.6 tot en met C.9. In deze voorschriften is de mogelijkheid geregeld tot ontheffing van de geluidvoorschriften C.1 en C.2.

2.4.1. Ingevolge voorschrift C.6 kan voor twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar ontheffing worden gevraagd van de voorschriften C.1 en C.2, waarbij de grenswaarden voor het equivalente en piekgeluid in voorschrift C.1 en C.2 onder inachtneming van de voorschriften C.7 tot en met C.9 mogen worden overschreden. Volgens deze voorschriften zijn de twaalf mogelijke overschrijdingen onderverdeeld in vier overschrijdingen van het equivalente geluidniveau met 20 dB(A) tot 02.00 uur, vier overschrijdingen met 10 dB(A) tot 01.00 uur en vier overschrijdingen met 10 dB(A) tot 24.00 uur. Verder bepaalt voorschrift C.6 dat de ontheffing minimaal twee maanden voor aanvang, schriftelijk bij het college van burgemeester en wethouders dient te worden aangevraagd en uiterlijk twee weken voor aanvang schriftelijk aan de omwonenden, zoals aangegeven in de bijlage behorende bij dit voorschrift, wordt medegedeeld. De activiteiten waarvoor ontheffing wordt gevraagd, dienen een tussenliggende periode van minimaal twee weken te hebben. Een activiteit die zowel voor als na 0.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag. In het jaar waarin de onderhavige vergunning is verleend, worden de ontheffingen die zijn verleend op grond van de gedoogbeschikking van 3 april 2000 in mindering gebracht op het maximaal aantal te verlenen ontheffingen in het kader van voorschrift C.6 van onderhavige vergunning.

2.4.2. Appellante betoogt dat door het opnemen van de voorschriften C.6 tot en met C.9 de door haar gevraagde vergunning impliciet is geweigerd. Zij voert hiertoe onder meer aan dat zelfs in het geval van reguliere bedrijfsevenementen, zoals bijvoorbeeld een bruiloftsfeest, niet aan voornoemde voorschriften kan worden voldaan. Bij grote evenementen, waarvoor de zogenoemde twaalf-dagen-regeling is opgenomen, kan derhalve zeker niet aan de gestelde geluidnormen worden voldaan, zo stelt appellante.

2.4.3. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de door appellante gevraagde ongelimiteerde ontheffing van de geluidvoorschriften uit het oogpunt van de bescherming van het milieu niet toelaatbaar is. Zij betogen dat zij bij het bepalen van de maximale ontheffingswaarde van 70 dB(A) aansluiting hebben gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en de literatuur behorende bij het ontwerp-voorstel van de Wet Modernisering Instrumentarium Geluidbeleid, waarin een geluidproductie van 70 dB(A) als grenswaarde wordt gesteld. Voorts achten verweerders een overschrijding met 20 dB(A) vaker dan vier keer per jaar niet aanvaardbaar.

2.4.4. De Afdeling overweegt dat de aanvraag ziet op maximaal twaalf ongelimiteerde geluidoverschrijdingen per jaar, waarvan vier overschrijdingen ongelimiteerd in geluid en tijd, vier overschrijdingen ongelimiteerd in geluid tot 02.00 uur en vier ongelimiteerd in geluid tot 01.00 uur. Verder is aangevraagd dat vier overschrijdingen binnen éen week mogen plaatsvinden, dat tussen vier overschrijdingen minimaal één week tijdsverschil moet zitten en dat tussen de overige vier overschrijdingen minimaal twee weken tijdsverschil moet zitten.

Vaststaat dat de voorschriften C.6 tot en met C.9 in sterke mate afwijken van hetgeen door appellante is aangevraagd. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting oordeelt de Afdeling dat door verweerders bij de beoordeling van de aanvraag in onvoldoende mate acht is geslagen op de bedrijfsvoering van appellante en de in verband hiermee benodigde geluidontheffingen. Door appellante is ter zitting overtuigend gesteld dat de aan de vergunning verbonden voorschriften C.6 tot en met C.9 tot gevolg hebben dat de blijkens de aanvraag beoogde bedrijfsvoering feitelijk onmogelijk is. De Afdeling acht dit aannemelijk geworden, ook gezien het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport, waaruit kan worden afgeleid dat zelfs bij kleinere evenementen niet kan worden voldaan aan de twaalf-dagen-regeling, zoals vervat in de voorschriften C.6 tot en met C.9. Het opnemen van deze voorschriften komt dan ook neer op een weigering van de gevraagde vergunning, hetgeen zich niet verdraagt met het stelsel van de Wet milieubeheer.

2.5. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, behoudens de gronden met betrekking tot de voorschriften C.6 tot en met C.9;

II. verklaart het beroep, voor het overige, gegrond;

III. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Emmen van 14 augustus 2001, kenmerk WM2000.28;

IV. veroordeelt burgemeester en wethouders van Emmen in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Emmen te worden betaald aan appellante;

V. gelast dat de gemeente Emmen aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. H. Beekhuis, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Gemert

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

243-373.