Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2593

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2002
Datum publicatie
15-05-2002
Zaaknummer
200100917/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200100917/1.

Datum uitspraak: 15 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 15 januari 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 september 1999 hebben burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: burgemeester en wethouders) appellante onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven binnen zes weken het gebruik van de ruimte gelegen op de begane grond van het gebouw [locatie] te Amsterdam voor parkeerdoeleinden te staken en de garage-kanteldeuren van dit gebouw terug te brengen in de vorige toestand (houten draaideuren) dan wel in overleg met en ten genoegen van het bouwtoezicht de onderpui aan te passen aan redelijke eisen van welstand.

Bij besluit van 31 mei 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de bezwaarschriftencommissie van 28 april 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 15 januari 2001, verzonden op 16 januari 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de president) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 21 februari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 april 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 september 2001 hebben [gemachtigden] een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 28 september 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2001, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door E.P. Swijter, ambtenaar der gemeente zijn verschenen. Voorts zijn [gemachtigden], vertegenwoordigd door mr. F.J. Jacobs, advocaat te Amsterdam daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge het bestemmingsplan “Jordaan” rust op de percelen [locatie] een woonbestemming. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Afdeling gaat ervan uit dat het gebruik van de ruimte op de begane grond van deze percelen voor de stalling van bedrijfsauto’s niet in overeenstemming is met deze bestemming. Anders dan appellante heeft betoogd, heeft de president met juistheid geoordeeld dat dit gebruik niet wordt beschermd door het in artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht. De Afdeling verwijst daarbij naar haar uitspraak van heden in zaken nos. 200002542/1 en 200101111/1. De president heeft dan ook terecht geconcludeerd dat burgemeester en wethouders bevoegd waren om wat betreft dit gebruik handhavend op te treden.

Voorts staat vast dat voor het vervangen van de garagedeuren geen bouwvergunning is verleend en dat burgemeester en wethouders dus ook in zoverre bevoegd waren om handhavend op te treden. Appellante heeft dit ook niet bestreden.

2.2 Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie.

2.3 Appellante heeft niet bestreden dat voor de aangebrachte kanteldeuren wegens strijd met redelijke eisen van welstand niet alsnog bouwvergunning kon worden verleend en dat in zoverre legalisering derhalve niet mogelijk was. Voorts is gebleken dat burgemeester en wethouders niet bereid waren om voor het gebruik van de ruimte voor de stalling van bedrijfsauto’s vrijstelling te verlenen, omdat dit volgens hen in strijd is met het gemeentelijk parkeerbeleid. Derhalve lag ten tijde van het nemen van het besluit van 31 mei 2000 legalisering van het gebruik langs die weg, anders dan appellante heeft betoogd, niet in de rede. Met betrekking tot het betoog van appellante dat in het destijds in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Jordaan 1999” het gebruik van de panden voor parkeerdoeleinden zou worden toegestaan wordt overwogen dat, daargelaten of de gegeven uitleg van dit bestemmingsplan juist is, dit onverlet laat dat voor het betrokken gebruik ook een garagevergunning is vereist en dat burgemeester en wethouders hebben geweigerd tot verlening daarvan over te gaan. Zij hebben hun desbetreffende besluiten mede gegrond op de overweging dat het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Garageverordening Amsterdam aan verlening van deze vergunning in de weg staat. Bij voormelde uitspraak van heden heeft de Afdeling geoordeeld dat deze besluiten niet voor vernietiging in aanmerking komen. Derhalve bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders in verband met dit betoog van handhaving hadden moeten afzien.

2.4 Appellante heeft voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Hierover wordt overwogen dat van de zijde van burgemeester en wethouders is aangegeven dat in de door appellante genoemde gevallen, zo daar al sprake is van gebruik als garage, niet meer valt te achterhalen wanneer dit gebruik een aanvang heeft genomen en derhalve of het onder het in het bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht valt. Zij hebben verder aangegeven dat bij herprofilering van straten voor zover mogelijk door hen wel wordt onderzocht of het gebruik van de aldaar gelegen panden in overeenstemming is met het bestemmingsplan en of in voorkomende gevallen wordt beschikt over een garagevergunning. Alsdan wordt zo mogelijk handhavend opgetreden. Nieuwe gevallen zoals dat van appellante waarin bovendien sprake is van klachten van omwonenden hebben volgens burgemeester en wethouders evenwel prioriteit. De Afdeling acht zulks niet onredelijk en komt op grond hiervan tot het oordeel dat het beroep op voornoemd beginsel moet falen.

2.5 Gelet hierop, is de president terecht tot de slotsom gekomen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan burgemeester en wethouders van handhaving hadden moeten afzien.

2.6 Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. E.A. Alkema en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Boer

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2002

201.