Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2577

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2002
Datum publicatie
15-05-2002
Zaaknummer
200004078/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 175K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200004078/2.

Datum uitspraak: 15 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats]

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 4 mei 2000, kenmerk 040500003Z/LD/JM, heeft verweerder aan appellante onder meer meegedeeld dat op de uitvoer van afvalstoffen naar niet OESO-landen, zoals de gebruikte toner- en inkjetcartridges die appellante wenst uit te voeren naar de Verenigde Arabische Emiraten, Verordening nr. 1420/1999 van toepassing is.

Bij besluit van 13 juli 2000, kenmerk IMH/HI/HH/AD/lb/130700006L, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 augustus 2000, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde datum, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van zowel appellante als verweerder. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J. Roeleveld, advocaat te Heerlen, en ing. J.J. Patelski, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door

mr. C.M.A.W. Flendrie-van der Schoot en mr. M. Kreeft, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In het kader van een controle ter handhaving van de Verordening 259/93/EEG, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening) heeft de Inspectie Milieuhygiëne namens verweerder geconcludeerd dat appellante een overtreding van de Verordening

nr. 1420/1999 heeft begaan, aangezien de gebruikte cartridges die appellante voornemens was over te brengen naar de Verenigde Arabische Emiraten als afvalstoffen in de zin van voornoemde Verordening moeten worden aangemerkt en appellante hiervoor geen kennisgeving heeft gedaan als bedoeld in deze Verordening. Deze conclusie is in de brief van 4 mei 2000 verwoord.

Verweerder heeft het tegen deze brief gerichte bezwaarschrift van appellante niet-ontvankelijk verklaard, onder meer omdat de in de brief van 4 mei 2000 vervatte mededeling omtrent de hoedanigheid van de gebruikte cartridges volgens hem niet als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt.

2.2. Appellante kan zich met dit besluit niet verenigen. Volgens haar is de constatering dat sprake is van een afvalstof wel gericht op enig rechtsgevolg, nu de Inspectie Milieuhygiëne zich op grond van deze constatering bevoegd acht informatie te vorderen en deze constatering aanleiding vormt tot het doen van een transactievoorstel ter voorkoming van strafvervolging. Verder heeft zij ter zitting naar voren gebracht dat de weg van de kennisgevingsprocedure voor de beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van afvalstoffen onevenredig bezwarend moet worden geacht, omdat zij de voor de kennisgevingsprocedure benodigde documenten uit de Verenigde Arabische Emiraten niet krijgt toegezonden.

2.3. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.4. De Afdeling overweegt dat zij onder andere in haar uitspraak van 22 januari 1998, inzake no. E03.95.1481 (AB 1998, 132), heeft geoordeeld dat een mededeling omtrent de vraag of een stof al dan niet als afvalstof dient te worden aangemerkt, niet op een zelfstandig rechtsgevolg is gericht, omdat deze vraag in het kader van een kennisgevingsprocedure die is voorzien in de Verordening aan de orde kan worden gesteld. Een dergelijke mededeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Met betrekking tot het betoog van appellante dat in het onderhavige geval het volgen van de kennisgevingsprocedure onevenredig bezwarend is, overweegt de Afdeling dat appellante, mede gelet op het feit dat zij slechts een kopie van één brief gericht aan het Ministerie van Economie en Handel van de Verenigde Arabische Emiraten heeft overgelegd, die bovendien dateert van na het bestreden besluit, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij alles in het werk heeft gesteld om de documenten die benodigd zijn voor de kennisgevingsprocedure uit de Verenigde Arabische Emiraten te verkrijgen. Daarbij wijst de Afdeling er nog op dat ook in het geval appellante door verweerder in een kennisgevingsprocedure niet-ontvankelijk zou zijn verklaard vanwege het ontbreken van de benodigde documenten, zoals door appellante is betoogd, het voor haar mogelijk zou zijn tegen een dergelijk besluit rechtsmiddelen aan te wenden. De kennisgevingsprocedure is derhalve in het onderhavige geval niet als onevenredig bezwarend aan te merken.

Gelet op het vorenstaande concludeert de Afdeling dat, nu de brief van 4 mei 2000 niet kan worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verweerder het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Plambeck

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2002

159-324.