Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2574

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2002
Datum publicatie
15-05-2002
Zaaknummer
200105304/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105304/1.

Datum uitspraak: 15 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders van Helden,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2001, kenmerk 37-24, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een vleesvarkenshouderij en vollegrondtuinbouwbedrijf gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit aangehechte besluit is op 19 september 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 26 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 29 oktober 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 januari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2002, waar appellant in persoon en verweerders, vertegenwoordigd door G.P.M. Boonekamp en C.P.M. Duijf, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghouder.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor het houden van 2071 vleesvarkens in Groen Label-stallen (BB 96.10.045V1). Voor de inrichting is eerder op 7 april 1998 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking is gebracht.

2.3. Appellant betoogt dat aan de minimaal aan te houden afstanden zoals deze zijn neergelegd in de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) niet wordt voldaan. Hij voert hiertoe aan dat verweerders ten onrechte vergunningverlening hebben gebaseerd op bestaande rechten nu er sprake is van een uitbreiding van het aantal mestvarkeneenheden van 1010 naar 1479. De inrichting is immers, zo stelt appellant, niet binnen drie jaar conform de onderliggende vergunning uit 1998 aangepast dan wel opgericht.

2.3.1. Verweerders hebben bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn gehanteerd, voorzover het de wijze van afstandsmeting en de in bijlage 1 opgenomen omrekeningsfactoren betreft. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën hebben zij de brochure Veehouderij en Hinderwet gehanteerd. Verweerders concluderen dat niet wordt voldaan aan de normafstanden uit de Richtlijn, maar baseren de vergunningverlening op het feit dat geen sprake is van een toename van het aantal mestvarkeneenheden ten opzicht van de eerder verleende vergunning.

2.3.2. Niet in geschil is dat de op 7 april 1998 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning betrekking had op het houden van 2071 vleesvarkens in Groen Label-stallen met biologisch luchtwassysteem (BB 96.10.045). Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de stallen 4 en 5 niet zijn aangepast conform de onderliggende vergunning nu in deze stallen geen luchtwassers zijn aangebracht. De stallen zelf zijn wel opgericht en de vleesvarkens zijn er in gehuisvest. Voorts is gebleken dat stal 6 niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de onderliggende vergunning op 27 mei 1998 is opgericht.

Zoals de Afdeling eerder in haar uitspraak van 16 april 1996, no. E03.95.0700, BR 1996, p. 735, heeft geoordeeld biedt artikel 8.18, eerste lid aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer geen grondslag voor het van rechtswege vervallen van de vergunning indien een aantal verlangde voorzieningen niet of niet tijdig is gerealiseerd. Het ontbreken van luchtwassers in de stallen 4 en 5 brengt in het onderhavige geval derhalve niet met zich dat de inrichting in zoverre moet worden geacht niet te zijn voltooid in de zin van dit artikellid. In een dergelijk geval kan het bevoegd gezag toepassing geven aan de handhavingsbepalingen in de Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht om reden dat de inrichting in strijd met de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften in werking wordt gehouden.

Voor de niet gerealiseerde stal 6 en de daarin te houden dieren moet worden geconcludeerd dat de onderliggende vergunning is komen te vervallen nu de in artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer genoemde termijn van drie jaar ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was verstreken. Het feit dat de aanvraag om een nieuwe milieuvergunning binnen de genoemde termijn van drie jaar is ingediend, maakt het vorenstaande niet anders.

2.3.3. Uit het vorenstaande volgt dat verweerders bij het nemen van het bestreden besluit de bestaande rechten onjuist hebben beoordeeld. Het aantal mestvarkeneenheden als gevolg van het bij het bestreden besluit vergunde veebestand, te weten 1479,29, is dan ook hoger dan het aantal mestvarkeneenheden waarvoor de inrichting over bestaande rechten beschikt. Het bestreden besluit ontbeert op dit punt een deugdelijke motivering en is daarom in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu de bestaande rechten bepalend zijn voor het antwoord op de vraag voor welk veebestand vergunning kan worden verleend, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

2.5. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Helden van 11 september 2001, kenmerk 37-24;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Helden in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 453,79, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Helden te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de gemeente Helden aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Beurmanjer-de Lange

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2002

241-374.