Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2572

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2002
Datum publicatie
15-05-2002
Zaaknummer
200101325/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200101325/1.

Datum uitspraak: 15 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2000 heeft de gemeenteraad van Tynaarlo vastgesteld het bestemmingsplan "Dennenoord".

Het besluit van de gemeenteraad is aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 6 februari 2001, no. 6.1/2000008583, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 15 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 juni 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 30 november 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2002, waar appellanten, in persoon en verweerders, vertegenwoordigd door P.K. Munnik, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn daar gehoord, F.J. Slieker en B. Dijkstra, ambtenaren bij de gemeente, namens de gemeenteraad van Tynaarlo.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op het gebied in de kern Zuidlaren, dat globaal wordt begrensd door de Stationsweg, de Schipborgerweg, de Randweg, de Boerenlaan, de Oude Tolweg en de Schapendrift. Een deel van het plangebied ligt buiten deze begrenzing en wel ten noordwesten van de Stationsweg. Met het plan wordt onder meer beoogd het voornemen tot uitvoering te brengen het terrein van Dennenoord aan te laten wijzen als beschermd dorpsgezicht op grond van de Monumentenwet. Daarnaast zullen binnen de bestemming “Gemengd gebied” meer ontwikkelingen mogelijk zijn ten behoeve van een goede exploitatie van de ziekenhuisvoorziening.

Verweerders hebben het plan goedgekeurd.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. Appellanten stellen dat ten onrechte de bestemming “Gemengd gebied” is toegekend aan het gedeelte vanaf de Boerenlaan in noordwestelijke richting langs de Schipborgerweg (ongeveer 100 meter). Zij vrezen dat als gevolg van eventuele nieuwbouw en het daarmee mogelijk gepaard gaande tekort aan toetreding van zonlicht de huidige randbeplanting ter plaatse zal verdwijnen dan wel zal worden aangetast. Voorts wijzen appellanten op de mogelijkheid dat ter plaatse een gebouw wordt opgericht dat geen relatie heeft met Dennenoord. Tevens voeren zij aan dat elders op het terrein van Dennenoord voldoende ruimte aanwezig is voor nieuwbouw.

2.5. Verweerders hebben overwogen dat als uitwerking van de Structuurvisie Dennenoord (hierna te noemen: de structuurvisie) in de opzet van het bestemmingsplan is gekozen om het meest waardevolle gebied aan te wijzen als te beschermen dorpsgezicht en binnen de bestemming “Gemengd gebied” een bouwblok op te nemen waar meerdere ontwikkelingen ten behoeve van een goede exploitatie van de ziekenhuisvoorziening mogelijk zijn. Zij menen bovendien dat in het plan duidelijk is aangegeven dat het karakter van de randbeplanting langs de Schipborgerweg dient te worden gehandhaafd.

2.6. Uit de stukken blijkt dat de wensen voor uitbreiding van het ziekenhuis zijn aangegeven in de Beleidsvisie 2000 (hierna te noemen: de beleidsvisie) van de Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Groningen (hierna te noemen: de stichting). In deze beleidsvisie is aan de hand van functionele, logistieke en bouwkundige eisen beoordeeld waar nieuwbouw op het terrein kan worden ingepast. Om tot een afstemming te komen van de mogelijke functiewijzigingen in de toekomst op de monumentale waarden van zowel het terrein van Dennenoord als van een deel van de gebouwen, is door de gemeente de structuurvisie opgesteld. Met deze structuurvisie wordt onder meer beoogd het voornemen tot uitvoering te brengen het Dennenoord-terrein aan te laten wijzen als beschermd dorpsgezicht op grond van de Monumentenwet.

De Afdeling ziet geen aanleiding dit beleid in zijn algemeenheid onredelijk te achten.

2.7. De Afdeling stelt vast dat de basis van het plan is gelegen in de structuurvisie. Zij is van oordeel dat verweerders zich op het standpunt hebben kunnen stellen dat betekenis moet worden toegekend aan het belang van de stichting om op een goede wijze een ziekenhuisterrein te kunnen exploiteren. Binnen de bestemming “Gemengd gebied” zijn daartoe ruimere mogelijkheden opgenomen.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat inmiddels het meest waardevolle terrein van Dennenoord is aangewezen als beschermd dorpsgezicht op grond van de Monumentenwet. In verband met het vorenstaande is naar het oordeel van de Afdeling het standpunt van verweerders om binnen de bestemming “Gemengd gebied” een bouwblok op te nemen waar meerdere ontwikkelingen ten behoeve van een goede exploitatie van de ziekenhuisvoorziening mogelijk zijn, niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de stukken is gebleken dat in het voorheen geldende plan “Kern Zuidlaren” op het aan de orde zijnde gedeelte van het terrein ook gebouwd kon worden.

Uit het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat de aan de orde zijnde strook met beplanting aan de rand van het Dennenoordterrein een breedte heeft van ongeveer 25 meter. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften dient van de met “randbeplanting” aangegeven gronden het karakter van de randbeplanting in stand te worden gehouden. Onbetwist is dat het karakter van de huidige randbeplanting langs de Schipborgerweg dient te worden gehandhaafd. Ingevolge artikel 7, derde lid, sub a, onder 1, van de planvoorschriften moeten de gebouwen worden gebouwd binnen een bouwvlak. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, blijkt dat de randbeplanting op de aan de orde zijnde plaats buiten het ter hoogte daarvan aangegeven bouwvlak ligt.

Voorts acht de Afdeling van belang dat het plan mogelijkheden biedt om rekening te houden met de randbeplanting. De Afdeling wijst in dit verband op het feit dat blijkens de plankaart de bebouwingshoogte langs de Schipborgerweg is bepaald op maximaal 9 meter, dit in verband met de hoogte van de woonbebouwing langs de Schipborgerweg. Bovendien volgt uit de plankaart dat maximaal 50% van het aan de orde zijnde bouwperceel bebouwd mag worden. Ingevolge artikel 11, eerste lid, sub a, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders weliswaar vrijstelling verlenen van de op de plankaart aangegeven bebouwingshoogten en percentages, maar deze mogen niet meer bedragen dan 10% van die bebouwingshoogten en percentages.

Gelet op het vorenstaande hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de huidige randbeplanting ter plaatse zal verdwijnen dan wel zal worden aangetast. Het feit dat het bouwperceel direct grenst aan de randbeplanting leidt niet tot een andersluidend oordeel.

Van een tekort aan toetreding van zonlicht voor de randbeplanting is voorts niet gebleken.

2.8. Wat betreft de vrees van appellanten dat op het terrein van Dennenoord met de bestemming “Gemengd gebied” een gebouw wordt opgericht dat geen relatie heeft met Dennenoord, overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen in die zin dat de beperking van de vestiging van bedrijven in relatie met educatie en/of therapie vervalt, uitsluitend indien de behoefte aan educatie en/of therapie een onvoldoende basis vormt voor een doelmatige uitoefening van het betreffende bedrijf.

Gelet op de voorwaarde die aan deze wijzigingsbevoegdheid verbonden is, hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat op die wijze een evenwicht blijft bestaan tussen de aanwijzing van een groot gedeelte van het terrein tot beschermd dorpsgezicht, de instandhouding van de op het terrein aanwezige monumenten en de exploitatie van het terrein ten behoeve van de ziekenhuisvoorziening.

2.9. Wat betreft de stelling van appellanten dat elders op het terrein van Dennenoord voldoende ruimte aanwezig is voor nieuwbouw, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.10. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het hiervoor omschreven plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan bedoeld plandeel.

Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. van Onselen

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2002

178-418.