Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2432

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2002
Datum publicatie
08-05-2002
Zaaknummer
200101619/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 178K
Milieurecht Totaal 2002/3916
Milieurecht Totaal 2002/2040
JOM 2008/663
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200101619/1.

Datum uitspraak: 8 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Winterswijk,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2001, kenmerk 2001 nr. II-1-6, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "NS Railinfrabeheer B.V. Regio Noordoost" te Zwolle een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een spoorwegemplacement gelegen op het perceel Stationsstraat 32 te Winterswijk, kadastraal bekend gemeente Winterswijk, sectie H, nummers 10763 (ged.), 10765 en 10767 (ged.). Dit aangehechte besluit is op 26 februari 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 4 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 april 2001, en appellant sub 2 bij brief van 3 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 april 2001, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 27 april 2001 en bij brief van 21 mei 2001. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 27 april 2001 en bij brief van 25 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 juli 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 18 december 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2002, waar appellant sub 1 in persoon, appellant sub 2, vertegenwoordigd door mr. H.H. van Steijn, advocaat te Deventer, en verweerders, vertegenwoordigd door M.J. Bandel en ing. B.B.J. van de Wetering, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “NS Railinfrabeheer B.V. Regio Oost”, vertegenwoordigd door mr. H.H. Luigies, advocaat te Rotterdam.

2. Overwegingen

2.1. De inrichting omvat een rangeer- en opstelemplacement alsmede een tankinstallatie. Vanuit Winterswijk onderhoudt de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Syntus B.V.” te Doetinchem halfuursdiensten met onder meer de plaatsen Zutphen en Arnhem. De spoorlijn is niet geëlektrificeerd. Er wordt gereden met door dieselmotoren aangedreven treinstellen.

De activiteiten, waarvoor bij het bestreden besluit een oprichtingsvergunning is verleend, betreffen het rangeren, opstellen, tanken en dagelijks inwendig reinigen van het reizigersmaterieel. Tevens vinden 24-uurscontroles en reparaties van het reizigersmaterieel plaats. De vorenstaande activiteiten zullen hoofdzakelijk in de nachtperiode worden uitgevoerd.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten stellen geluidhinder te ondervinden vanwege de inrichting met name gedurende de nachtperiode.

2.3.1. Ingevolge voorschrift 8.2.a. mag het invallende equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en de daarin verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen van derden weergegeven door de positienummers 1 tot en met 14 niet meer bedragen dan 50, 45 en 45 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond-, en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift 8.2.b. mogen, onverminderd het gestelde in voorschrift 8.2.a., de piekniveaus (Lmax) die een gevolg zijn van de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en de verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten gemeten in de meterstand “fast”, niet meer bedragen dan 70 dB(A) voor de dagperiode uitgezonderd de wisselpassages en 75 dB(A) voor de dagperiode tengevolge van de wisselpassages. Voor de avond- en nachtperiode mogen de piekniveaus niet meer bedragen dan 65 en 60 dB(A).

Ingevolge voorschrift 8.3.a. mag, in afwijking van het gestelde in voorschrift 8.2.a., het invallende equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en de daarin verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten ter plaatse van de positienummers 1,2 en 14 tot 1 juni 2001 niet meer bedragen dan 47, 47 en 48 dB(A). Vanaf 1 juni 2001 tot zes jaar na het van kracht worden van de vergunning mag het LAeq niet meer bedragen dan 48, 49 en 46 dB(A).

Ingevolge voorschrift 8.3.b., onverminderd het gestelde in voorschrift 8.3.a. en in afwijking van voorschrift 8.2.b., variëren de piekniveaus (Lmax) tot 1 juni 2001 die een gevolg zijn van het remmen van treinen, gemeten in de meterstand “fast”, ter plaatse van de positienummers 1 tot en met 14 tussen de 64 en 82 dB(A). De piekniveaus (Lmax) tot 1 juni 2001 die een gevolg zijn van de in de inrichting plaatsvindende wisselpassages, gemeten in de meterstand “fast”, mogen ter plaatse van de positienummers 1, 13 en 14 niet meer bedragen dan 68, 71 en 74 dB(A). Vanaf 1 juni 2001 tot zes jaar na het van kracht worden van de vergunning variëren de piekniveaus ten gevolge van de wisselpassages ter plaatse van de positienummers 1 tot en met 14 tussen de 63 en 74 dB(A).

Ingevolge voorschrift 8.4.a. moet er onderzoek gedaan worden naar de maatregelen die kunnen worden uitgevoerd om binnen zes jaar na het van kracht worden van deze vergunning te kunnen voldoen aan de geluidnormen als gesteld in de voorschriften 8.2.a. en 8.2.b. Dit onderzoek moet in elk geval ingaan op mogelijke maatregelen; de kosten, uitvoerbaarheid en akoestisch effect van deze maatregelen en de fasering van de invoering van de desbetreffende maatregelen. Het onderzoek moet uiterlijk binnen twee jaar na het van kracht worden van deze vergunning zijn gestart.

2.3.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hebben verweerders bij het beoordelen van de door de inrichting veroorzaakte directe geluidsbelasting de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: Handreiking) als uitgangspunt genomen. Op grond hiervan valt de omgeving van de inrichting te beschouwen als een woonwijk in de stad. Voor een dergelijk gebied wordt als grenswaarde 50 dB(A) etmaalwaarde aanbevolen. De Afdeling merkt op dat de bestaande geluidsbelasting vanwege de inrichting de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde met 9 dB(A) overschrijdt. Dit houdt in dat zelfs de in de Handreiking onder omstandigheden toegestane overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum van 55 dB(A) etmaalwaarde in de bestaande situatie wordt overschreden.

Verweerders voeren met betrekking tot deze afwijking van het beoordelingskader aan dat eerst door het treffen van technische en organisatorische maatregelen aan de gestelde grenswaarden kan worden voldaan. Zij hebben in dat verband gewezen op het door de Nederlandse Spoorwegen in 1995 begonnen onderzoek naar structurele oplossingen om de door emplacementen veroorzaakte geluidsbelasting te verlagen, te weten het Project Industrielawaai emplacementen (hierna: PRIL). Zij hebben daarom in vorengenoemd voorschrift 8.4.a. bepaald dat er onderzoek moet worden gedaan naar de maatregelen die kunnen worden uitgevoerd om binnen zes jaar na het van kracht worden van de vergunning te kunnen voldoen aan de grenswaarden vermeld in de voorschriften 8.2.a. en 8.2.b.. Dit onderzoek dient uiterlijk twee jaar na het van kracht worden van de vergunning te zijn gestart. Tot uiterlijk zes jaar na het van kracht worden van de vergunning hebben zij hogere grenswaarden, zoals genoemd in bovengenoemde voorschriften 8.3.a. en 8.3.b. vergund. Hiermee hebben verweerders willen aansluiten bij de circulaire “Geluidhinder veroorzaakt door spoorwegemplacementen; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer” van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 januari 1998, kenmerk MBG 97580377.

De Afdeling stelt vast dat in het onderhavige geval sprake is van een feitelijk al heel lang bestaande situatie. Nadat spoorwegemplacementen onder de vergunningplicht van de Wet milieubeheer zijn gebracht, diende de geluidsbelasting van dergelijke inrichtingen te worden gesaneerd. Naar het oordeel van de Afdeling konden verweerders onder deze omstandigheden in redelijkheid kiezen voor een gefaseerde aanpak van de geluidsbelasting van de inrichting door voor een overgangsperiode waarin de normen uit de Handreiking nog niet haalbaar zijn de bestaande geluidsbelasting te vergunnen. Voorzover verweerders in dit verband voornoemde circulaire van 13 januari 1998 hebben gehanteerd, is dit naar het oordeel van de Afdeling niet in strijd met het recht.

2.3.3. De Afdeling stelt vast dat de meeste activiteiten op het terrein van de inrichting buiten plaatsvinden gedurende de nachtperiode. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat met het treffen van geluidsreducerende maatregelen en/of voorzieningen de geluidsbelasting vanwege de inrichting gedurende de nachtperiode mogelijk verder kan worden teruggebracht dan het in voorschrift 8.2.a. genoemde equivalente geluidsniveau van 45 dB(A). De grenswaarde voor de nachtperiode die in voorschrift 8.2.a. is gesteld is hoger dan de volgens de Handreiking aanbevolen richtwaarde. Dit is niet overeenkomstig de, in het kader van de invulling van de beoordelingsruimte, gehanteerde circulaire van 13 januari 1998, nu enkel het bestaande geluidsniveau kan worden vergund in afwachting van een onderzoek naar de haalbaarheid van de grenswaarden genoemd in de Handreiking. De Afdeling overweegt dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt dat onderzoek naar de haalbaarheid van de in de Handreiking genoemde richtwaarde voor de nachtperiode heeft plaatsgevonden.

De Afdeling is gezien het vorenstaande dan ook van oordeel dat het bestreden besluit, voorzover dit het voorschrift 8.2.a. betreft, onvoldoende is gemotiveerd, zodat het zich in dit opzicht niet verdraagt met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.4. Verder overweegt de Afdeling dat mede gelet op het deskundigenbericht en op het verhandelde ter zitting de (on)mogelijkheden tot het treffen van de noodzakelijke geluidsreducerende maatregelen/voorzieningen in feite genoegzaam bekend zijn. Op grond hiervan alsmede op grond van hetgeen is overwogen in het bestreden besluit in samenhang met de ten tijde van het bestreden besluit reeds bekende resultaten uit de onderzoeken in het kader van het PRIL, oordeelt de Afdeling dat verweerders de in voorschrift 8.4.a. gestelde (te) ruime termijnen in redelijkheid niet aan de vergunning hebben kunnen verbinden. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de in het bestreden besluit toegestane overschrijding gedurende een periode van zes jaar van de geluidgrenswaarde voor de nachtperiode aanzienlijk is.

Aangezien het aan de vergunning verbonden voorschrift 8.4.a. een ontoereikend beschermingsniveau voor de omgeving biedt, komt het besluit in zoverre wegens schending van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer voor vernietiging in aanmerking.

2.4. Aangezien de voorschriften met betrekking tot het geluid met het oog op het belang van de bescherming van het milieu bepalend zijn voor de in het geding zijnde vergunning, moet het gehele bestreden besluit worden vernietigd. De beroepen van de appellanten dienen gegrond te worden verklaard. Gelet hierop behoeven hun overige bezwaren geen behandeling meer.

2.5. Verweerders dienen op navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Winterswijk van 6 februari 2001, kenmerk 2001, nr. II-1-6;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Winterswijk in de door appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, dit bedrag dient in het geheel door de gemeente Winterswijk te worden betaald aan appellant sub 1;

IV. gelast dat de gemeente Winterswijk aan appellant sub 1 en appellant sub 2 het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 102,10 aan appellant sub 1 en € 102,10 aan appellant sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2002

179-375.