Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2423

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2002
Datum publicatie
08-05-2002
Zaaknummer
200103541/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2001:AB1990
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het Eems-Dollardverdrag is het ontbreken van een vergunning op grond van het nationale recht niet als weigeringsgrond opgenomen.

Afwijzing van het verzoek van appellant om toestemming voor het uitoefenen van de mosselvisserij in het gemeenschappelijk visserijgebied omdat appellant, hoewel hij aan het in het Eems-Dollardverdrag gestelde woonplaatscriterium voldoet, niet beschikt over een vergunning krachtens de Visserijwet 1963, zonder welke hij de mossel(zaad)visserij in het desbetreffende gebied niet zal kunnen uitoefenen. De president heeft dit standpunt onderschreven. Appellant bestrijdt de uitspraak van de president met succes.

Vooropgesteld wordt dat art. 41 van het Verdrag moet worden aangemerkt als een een ieder verbindende bepaling als bedoeld in art. 93 van de Grondwet. Niet in geschil is dat appellant voldoet aan de voorwaarde die in het Verdrag voor het verkrijgen van schriftelijke toestemming is gesteld. Hoewel het Verdrag niet in de weg staat aan het vereiste van een vergunning op grond van de Visserijwet 1963, is, omdat het ontbreken van een vergunning ingevolge het nationale recht in het Verdrag niet als weigeringsgrond is opgenomen, het niet verlenen van de toestemming om deze reden strijdig met het Verdrag.

De staatssecretaris en de president hebben dit miskend.

Gegrond hoger beroep.

Hoger beroep van President rechtbank Groningen d.d. 17 mei 2001, ECLI:NL:RBGRO:2001:AB1990.

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

mrs. P. van Dijk, H.G. Lubberdink, T.M.A. Claessens

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 93
Visserijwet 1963
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 200K
JB 2002/184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103541/1.

Datum uitspraak: 8 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 17 mei 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2001 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de staatssecretaris) afwijzend beslist op het verzoek van appellant om schriftelijke toestemming als bedoeld in artikel 41, vierde lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding, met Bijlagen en Slotprotocol (het Eems-Dollardverdrag), voor het uitoefenen van de mosselvisserij in het gemeenschappelijk visserijgebied.

Bij besluit van 28 maart 2001 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 mei 2001, verzonden op 5 juni 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de president) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 13 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 augustus 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 oktober 2001 heeft de staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. H. van Pijkeren, advocaat te Zierikzee, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr.drs. P.J. Kooiman en J.M.M. Kouwenhoven, beiden ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1960, 67; hierna: het Verdrag) kunnen Nederlandse en Duitse vissers in een nader omschreven deel van de Eemsmonding (gemeenschappelijk visserijgebied) als gelijkberechtigden de visvangst uitoefenen.

Ingevolge het vierde lid, onder a en b, is binnen het gemeenschappelijke visserijgebied voor de uitoefening van de visserij ten zuidoosten van de verbindingslijn tussen de grote lichttoren van Borkum en de Grote Kaap van Rottumeroog een schriftelijke toestemming nodig, welke wordt verstrekt aan alle vissers die reeds minstens een jaar hun woonplaats hebben aan de Eems van Norddeich tot Uskwerd voor de duur van de tijd dat zij in dit gebied hun vaste woonplaats hebben.

2.2. De staatssecretaris heeft het verzoek van appellant afgewezen omdat appellant, hoewel hij aan het in het Verdrag gestelde woonplaatscriterium voldoet, niet beschikt over een vergunning krachtens de Visserijwet 1963, zonder welke hij de mossel(zaad)visserij in het desbetreffende gebied niet zal kunnen uitoefenen.

De president heeft dit standpunt onderschreven.

2.3. Appellant bestrijdt de uitspraak van de president met succes. Vooropgesteld wordt dat artikel 41 van het Verdrag moet worden aangemerkt als een een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 93 van de Grondwet. Niet in geschil is dat appellant voldoet aan de voorwaarde die in het Verdrag voor het verkrijgen van schriftelijke toestemming is gesteld. Hoewel het Verdrag niet in de weg staat aan het vereiste van een vergunning op grond van de Visserijwet 1963, is, omdat het ontbreken van een vergunning ingevolge het nationale recht in het Verdrag niet als weigeringsgrond is opgenomen, het niet verlenen van de toestemming om deze reden strijdig met het Verdrag. De staatssecretaris en de president hebben dit miskend. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de president zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen. De staatssecretaris zal opnieuw op het bezwaar moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de in hoger beroep gemaakte proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 17 mei 2001, 01/352 BESLU VO6;

II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

III. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 28 maart 2001, TRCJZ/2001/3793;

IV. veroordeelt de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) te worden betaald aan appellant;

V. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 154,29) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Haverkamp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2002

306.