Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2415

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2002
Datum publicatie
08-05-2002
Zaaknummer
200002271/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 184K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200002271/1.

Datum uitspraak: 8 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Zuid Hollandse Metaalmaatschappij B.V.", gevestigd te Vlaardingen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Unilever Research Vlaardingen B.V.", gevestigd te Vlaardingen,

appellanten,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 1999, kenmerk MBG 98040437/962/963, heeft verweerder voor een aantal nader genoemde woningen en andere geluidgevoelige objecten gelegen binnen de zone rond de industrieterreinen “Vulcaanhaven”, “Koningin Wilhelminahaven” en “Klein Vettenoord” in de gemeente Vlaardingen de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting vastgesteld als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder.

Bij besluit van 5 april 2000, kenmerk MBG 2000035473/962/963, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder de hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 10 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2000, en appellante sub 2 bij brief van 9 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2000, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 9 juni 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 oktober 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2002, waar appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en verweerder, vertegenwoordigd door mr. L.J. Wildeboer, advocaat, en door F.V.A. Malaihollo, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 71, tweede lid, van de Wet geluidhinder, voorzover hier van belang, stellen Gedeputeerde Staten, na overleg met het gemeentebestuur, een programma op van maatregelen die naar hun oordeel in aanmerking komen om de geluidbelasting, vanwege het industrieterrein, van de gevels van de in het eerste lid bedoelde woningen te beperken tot 55 dB(A) en te voldoen aan het in artikel 111, eerste lid, onder a, bepaalde.

Ingevolge artikel 72, eerste lid, van de Wet geluidhinder leggen gedeputeerde staten het ingevolge artikel 71, tweede lid, opgestelde programma van maatregelen onverwijld voor aan Onze Minister.

Ingevolge artikel 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder, voorzover hier van belang, stelt Onze Minister voor de woningen waarop het programma betrekking heeft binnen zes maanden na ontvangst daarvan de ten hoogst toelaatbare waarde van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein van de gevels vast, met dien verstande dat deze waarde 65 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 72, vierde lid, van de Wet geluidhinder, voorzover hier van belang, stelt Onze Minister ten aanzien van elk der daarvoor in aanmerking komende gevallen maatregelen vast die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein, van de gevels van de betrokken woningen tot de bij het besluit, bedoeld in het tweede lid, vastgestelde waarde. Deze maatregelen strekken tevens, afhankelijk van de hoogte van deze waarde, tot het terugbrengen van de geluidbelasting, vanwege het industrieterrein, binnen de woning.

2.2. Appellante sub 1 meent dat de door verweerder vastgestelde maximaal toelaatbare geluidgrenswaarden (hierna: MTG’s), als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder, te laag zijn vastgesteld.

Zij voert hiertoe aan dat de aan de vaststelling van de MTG’s ten grondslag liggende gegevens en berekeningen onjuist zijn. Bij het vaststellen van de representatieve bedrijfssituatie is ten onrechte geen rekening gehouden met de geluidbelasting vanwege het laden van schepen en/of duwbakken. Dit betekent volgens appellante sub 1 dat de feitelijke geluidbelasting van haar bedrijf hoger is dan waarvan in het saneringsonderzoek is uitgegaan.

Appellante sub 1 betoogt voorts dat de maatregelen die nodig zijn om de MTG’s te kunnen naleven, zoals beschreven in het vastgestelde saneringsprogramma van 11 december 1997, niet in redelijkheid van haar gevergd kunnen worden. Zij meent dat de voorgestelde maatregelen, gelet op de hoge kosten daarvan, eerst kunnen worden gerealiseerd nadat zekerheid wordt geboden omtrent de herinrichting van het gebied en een eventuele verandering van locatie. Voorts stelt appellante dat verweerder bij het vaststellen van de MTG’s ten onrechte heeft nagelaten de kosteneffectiviteit van bedoelde maatregelen in ogenschouw te nemen. Zij meent dat de voorgestelde saneringsmaatregelen, gelet op de hoge kosten in verhouding tot de geringe te bereiken geluidreductie, niet kosteneffectief zijn. Appellante wijst er tot slot op dat uit het akoestisch rapport van M+P Raadgevende ingenieurs van 7 februari 2000 blijkt dat ook zonder de saneringsmaatregelen kan worden voldaan aan de saneringsdoelstelling.

2.2.1. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat de door appellante sub 1 bedoelde activiteiten in de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie van de inrichting in het rapport van het saneringsonderzoek zijn opgenomen en dat uit de verschillende bij dit onderzoek behorende rekenoverzichten blijkt dat met deze activiteiten is rekening gehouden. In zoverre is verweerder zijns inziens uitgegaan van juiste gegevens omtrent de representatieve bedrijfssituatie.

Verweerder meent voorts dat bij het vaststellen van de MTG’s geen aanleiding voor hem bestond rekening te houden met een eventuele bedrijfsverplaatsing. Wat betreft hetgeen appellante aanvoert omtrent de doorberekening van de kosteneffectiviteit van de saneringsmaatregelen, stelt verweerder dat de voorgestelde maatregelen, gelet op de geraamde kosten in verhouding tot de te bereiken geluidreductie, in redelijkheid van appellante kunnen worden gevergd.

Ook in zoverre ziet verweerder geen aanleiding voor het oordeel dat de MTG’s hoger dienen te worden vastgesteld.

2.2.2. Het rapport van het saneringsonderzoek is getiteld ‘Overkoepelend gecombineerd saneringsonderzoek fase II en fase III industrieterreinen Vulcaanhaven - Wilhelminahaven en Klein-Vettenoord - Het Scheur te Vlaardingen’, van 1 april 1997, en is opgesteld door Sight adviesbureau voor milieu en landschap. Dit rapport ligt ten grondslag ligt aan de vaststelling van de MTG’s.

De Afdeling stelt vast dat in genoemd rapport melding wordt gemaakt van een geluidbron, nummer 205, welke het storten van schroot in een duwbak betreft. Met de door appellante bedoelde activiteiten is dan ook rekening gehouden in het saneringsonderzoek. In zoverre mist het beroep van appellante sub 1 feitelijke grondslag en ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder, uitgaande van de bedoelde gegevens in het rapport, de MTG’s te laag heeft vastgesteld.

De Afdeling is voorts van oordeel dat, nu niet is gebleken dat de door appellante bedoelde herstructureringsplannen van het desbetreffende gebied in de nabije toekomst zullen worden gerealiseerd, wat hier overigens ook van zij, verweerder zich reeds om die reden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij hiermee bij het vaststellen van de MTG’s geen rekening behoefde te houden.

De Afdeling wijst er op dat het onderhavige besluit geen besluit tot vaststelling van de maatregelen, als bedoeld in artikel 72, vierde lid, van de Wet geluidhinder, behelst. Nu de hoogte van de MTG’s, gelet op het bepaalde in artikel 2 van het Besluit saneringsmaatregelen industrieterreinen 1994, evenwel in relatie staat tot de doeltreffendheid van maatregelen en mogelijke overwegende bezwaren van financiële aard als ook van stedenbouwkundige, verkeerskundige of landschappelijke aard en verweerder bij de vaststelling van de MTG’s inzicht moet hebben in de vraag of deze naleefbaar zijn, overweegt de Afdeling dat de maatregelen, zoals neergelegd in het saneringsprogramma, in de onderhavige procedure ter beoordeling kunnen staan.

Uit de stukken komt naar voren dat appellante, teneinde onder meer aan de vastgestelde MTG’s te kunnen voldoen, een nieuwe hal dient te bouwen en het bestaande geluidscherm dient te verhogen. De kosten hiervan zijn geraamd op ƒ 500.000,00 (€ 226.890,61). In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de maatregelen die appellante dient te treffen om te voldoen aan de MTG’s, niet op overwegende bezwaren van financiële aard stuiten. De Afdeling ziet ook in zoverre geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder de MTG’s hoger had moeten vaststellen.

2.3. Appellante sub 2 meent eveneens dat de door verweerder vastgestelde MTG’s te laag zijn vastgesteld.

Zij wijst er op dat haar bedrijf een hogere feitelijke geluidbelasting produceert dan waarvan in het akoestisch onderzoek van 7 december 1994, opgesteld door HT Milieuconsult, dat in het saneringsonderzoek als uitgangspunt is genomen, is uitgegaan. In dit akoestisch onderzoek is uitgegaan van te lage bronvermogenniveaus van een aantal relevante geluidbronnen. Verder is, zo stelt appellante, de feitelijke geluidbelasting hoger omdat na 1994 een aantal wijzigingen in de bedrijfsvoering zijn doorgevoerd die door middel van een melding op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer bij het bevoegd gezag bekend zijn gemaakt en die niet zijn meegenomen in het saneringsonderzoek. Het voorgaande leidt er volgens appellante toe dat zij, indien de hoogte van de MTG’s ongewijzigd blijft, in tegenstelling tot hetgeen verweerder stelt, saneringsmaatregelen moet doorvoeren om te kunnen voldoen aan de MTG’s.

Appellante stelt voorts dat aanscherping van de geluidgrenswaarden in de vigerende milieuvergunning niet redelijk is nu gesteld kan worden dat, gelet op het vorenoverwogene omtrent het aan deze vergunning ten grondslag liggende akoestische onderzoek, de haar thans vergunde geluidruimte ontoereikend is.

2.3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het desbetreffende, in opdracht van appellante uitgevoerde, akoestisch onderzoek, dat ten grondslag heeft gelegen aan de milieuvergunning van 20 juni 1995, rekening is gehouden met hetgeen waarvoor vergunning werd aangevraagd, inclusief de – destijds - concrete toekomstige ontwikkelingen. Met feitelijke veranderingen en nieuwe ontwikkelingen die nadien hebben plaatsgevonden kan zijns inziens geen rekening worden gehouden in het saneringsonderzoek. Daarbij wijst verweerder er op dat veranderingen die met een melding op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer zijn gedaan geen dan wel uitsluitend gunstige gevolgen voor het milieu hebben en derhalve niet van betekenis zijn voor de vaststelling van de MTG’s.

In zoverre ziet verweerder geen aanleiding voor het oordeel dat de hoogte van de MTG’s aanpassing behoeven.

Verweerder wijst er voorts op dat appellante geen maatregelen behoeft door te voeren om te voldoen aan de MTG’s . De feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichting, zoals deze uit het akoestisch onderzoek van 1994 blijkt, zijnde 50, 42 en 40 dB(A), is zodanig dat de MTG’s naleefbaar zijn zonder dat maatregelen moeten worden getroffen. Gelet op de omstandigheid dat de in de avondperiode vergunde geluidgrenswaarde 3 dB(A) te ruim is, heeft verweerder overwogen dat deze dient te worden aangescherpt om te voorkomen dat het bedrijf deze geluidruimte in de toekomst benut, waardoor de vastgestelde MTG’s worden overschreden.

2.3.2. Ter beoordeling staat de vraag of in het saneringsonderzoek terecht is uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie situatie waarop het akoestisch onderzoek van 1994 betrekking heeft.

De Afdeling overweegt dat, gelet op artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit saneringsmaatregelen industrieterreinen 1994, waarin is bepaald dat het saneringsprogramma ten minste een beschrijving bevat van de wijze waarop aan de voorschriften inzake geluidhinder, die zijn verbonden aan de vergunning, wordt voldaan met betrekking tot op het industrieterrein gelegen inrichtingen, uitgangspunt is dat in het saneringsonderzoek de aan een inrichting vergunde geluidbelasting, voorzover deze wordt benut, als uitgangspunt wordt genomen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij het vaststellen van de MTG’s niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van het akoestisch onderzoek van 7 december 1994 dat ten grondslag heeft gelegen aan de vergunningverlening van 20 juni 1995. Nu het desbetreffende akoestisch onderzoek daarbij door appellante is gebruikt om voor de geschetste bedrijfssituatie vergunning te verkrijgen, en zij voorts de mogelijkheid had, indien de vergunde geluidgrenswaarden naar haar mening niet (meer) toereikend waren in verband met veranderde bedrijfsactiviteiten, op grond van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer de vergunning te (laten) wijzigen, maar daarvan in dit geval geen gebruik heeft gemaakt, is verweerder op goede gronden uitgegaan van de bedrijfssituatie zoals vermeld in het akoestisch rapport.

Wat betreft de veranderingen in de bedrijfssituatie die naderhand door middel van een melding op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer zouden zijn gelegaliseerd, is verweerder er naar het oordeel van de Afdeling, gelet op de inhoud van genoemde bepaling, terecht vanuit gegaan dat deze wijzigingen in de bedrijfssituatie ten opzichte van de vergunde situatie geen nadelige akoestische gevolgen kunnen hebben gehad.

Gelet op voorgaande gaat de Afdeling ervan uit dat bij het bestreden besluit de bedrijfssituatie van appellante op juiste wijze bij de beoordeling betrokken is. Ook in hetgeen appellante sub 2 voor het overige nog heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders de MTG’s op een hogere waarde hadden dienen vast te stellen.

Voor zover appellante met haar beroep beoogt te stellen dat verweerder de in de vergunning krachtens de Wet milieubeheer opgenomen geluidgrenswaarde van 45 dB(A) in de avondperiode niet mag terugbrengen tot 42 dB(A), overweegt de Afdeling dat het bestreden besluit daar niet toe strekt. Verweerder is daar in zijn overwegingen weliswaar van uitgegaan, maar in het bestreden besluit is slechts het primaire besluit, waarbij als MTG’s 55 dB(A) zijn vastgesteld, gehandhaafd. De aanpassing van de geluidgrenswaarde zal in een procedure krachtens de Wet milieubeheer moeten plaatsvinden.

Verweerder heeft de bezwaren van appellante tegen het besluit tot vaststelling van de MTG’s terecht ongegrond verklaard.

2.4. Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Heusden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2002

163-318.