Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2413

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2002
Datum publicatie
08-05-2002
Zaaknummer
200102130/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102130/1.

Datum uitspraak: 8 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 13 maart 2001 in het geding tussen:

appellant

en

dagelijks bestuur van de deelgemeente Prins-Alexander.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 1999 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Prins-Alexander (hierna: dagelijks bestuur) aan [vergunninghouder] onder verlening van vrijstelling bouwvergunning verleend voor het met een serre vergroten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 21 maart 2000 heeft het dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor Bezwaar- en Beroepschriften van 24 januari 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 13 maart 2001, verzonden op 16 maart 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 22 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij ongedateerde brief, ingekomen bij de Raad van State op 16 januari 2002 heeft het dagelijks bestuur een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2002, waar appellant […] in persoon, appellant […], vertegenwoordigd door ir. C.A.W. Brand, gemachtigde, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mevrouw mr. F.Y. Gümüs, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in een serre aan de achterzijde van de woning. Ter plaatse is van kracht het globale bestemmingsplan “Oosterflank”. Het perceel heeft daarin de bestemming “Woondoeleinden 3”, welke ingevolge artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften door burgemeester en wethouders dient te worden uitgewerkt. Ingevolge het derde lid van artikel 22 mag het bouwen op gronden met een uit te werken bestemming uitsluitend plaatsvinden overeenkomstig de door het dagelijks bestuur van Rijnmond goedgekeurde uitwerking van het desbetreffende plangedeelte, dan wel overeenkomstig een in voorbereiding zijnde uitwerking van het desbetreffende plangedeelte met voorafgaande verklaring van geen bezwaar van het dagelijks bestuur van Rijnmond. Een verklaring van geen bezwaar wordt niet aangevraagd dan nadat belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld tegen het desbetreffende bouwplan bezwaren in te dienen.

Ten einde bouwvergunning te kunnen verlenen is een concept-uitwerkingsplan voor het onderhavige plandeel opgesteld en ter inzage gelegd. Op basis hiervan en mede gelet op de weerlegging door het dagelijks bestuur van de daartegen ingediende bedenkingen hebben gedeputeerde staten van Zuid-Holland - als rechtsopvolgers van het dagelijks bestuur van Rijnmond - bij besluit van 23 december 1998 de benodigde verklaring van geen bezwaar afgegeven.

Het bouwplan is in overeenstemming met het concept-uitwerkingsplan.

2.2. Appellant heeft in hoger beroep ter zake van het bouwplan naar voren gebracht dat dit het zonlicht in zijn woning vermindert. Dit bezwaar is een herhaling van hetgeen hij ten overstaan van de rechtbank heeft naar voren gebracht. De rechtbank heeft ter zake met juistheid overwogen dat de lichtinval in de woning van appellant weliswaar nadat de aanbouw is opgericht zal verminderen, maar dat niet van een situatie sprake is die ertoe had moeten leiden dat de bouwvergunning had moeten worden geweigerd.

2.3. Met betrekking tot de stelling van appellant dat de serre een zodanige schaduw in zijn tuin geeft dat planten sterven en hij genoodzaakt is kosten te maken om zijn terras en vijver te verplaatsen, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat het bouwplan, gelet ook op de hoogte van de ter plaatse reeds aanwezige erfafscheiding, op dit punt tot een onaanvaardbare situatie leidt. De daaruit voortvloeiende schade – ook voor wat de vermeende waardevermindering van zijn woning betreft - heeft appellant gesteld maar niet geconcretiseerd.

2.4. Hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd betreft de wijze waarop aan de verleende bouwvergunning uitvoering is gegeven. Deze is in de onderhavige procedure evenwel niet aan de orde.

2.5. Met betrekking tot de klachten van appellant over het functioneren van de deelgemeente merkt de Afdeling op dat niet is gebleken dat het dagelijks bestuur aangaande het verloop van de procedure tot verlening van de bouwvergunning onzorgvuldigheid kan worden verweten. De rechtbank heeft zulks terecht vastgesteld. Van partijdigheid van het dagelijks bestuur zoals door appellant gesteld is de Afdeling evenmin gebleken.

2.6. Het voorgaande in aanmerking genomen heeft het dagelijks bestuur, de in aanmerking te nemen belangen afwegende, in redelijkheid van de verleende verklaring van geen bezwaar gebruik kunnen maken en bouwvergunning kunnen verlenen. De rechtbank heeft zulks terecht en op goede gronden geoordeeld.

2.7. Het beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2002

47-406