Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2411

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2002
Datum publicatie
08-05-2002
Zaaknummer
200102745/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102745/1.

Datum uitspraak: 8 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Vennootschap onder firma […], waarvan de enige vennoten zijn [vennoten], gevestigd te [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 11 april 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Moordrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 1999 hebben burgemeester en wethouders van Moordrecht (hierna: burgemeester en wethouders) bouwvergunning geweigerd voor het oprichten van een vleesvarkensstal op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 25 oktober 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van Commissie voor der behandeling van bezwaar- en beroepschriften van 27 september 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 11 april 2001, verzonden op 19 april 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 30 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 juni 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, gemachtigde, is verschenen. Burgemeester en wethouders zijn, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een vleesvarkensstal naast en verbonden met een op het perceel reeds aanwezige vleesvarkensstal.

2.2. Op het betrokken perceel rust krachtens het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” de bestemming “Agrarische doeleinden” met nadere aanduiding “Aw (weidegebied)”. Deze gronden zijn ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften bestemd voor de (melk-)veehouderij ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven. Op gronden met deze bestemming mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken - geen gebouwen zijnde - ten dienste van deze bestemming worden gebouwd.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder 29, van de planvoorschriften wordt onder een (melk-)veehouderij verstaan: een volwaardig bedrijf, dat onder gebruikmaking van bij het bedrijf behorend grasland en vee uitsluitend of in overwegende mate is gericht op de productie van melk en zuivel. Tevens wordt daaronder verstaan het houden van mest- en fokvee, mits dit een ondergeschikt bedrijfsonderdeel is.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder 30, van genoemde voorschriften wordt onder een grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan: een volwaardig en doelmatig agrarisch bedrijf, dat geheel of in overwegende mate afhankelijk is van producerend vermogen van bij dat bedrijf behorende gronden.

2.3. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met artikel 3 van de planvoorschriften. De rechtbank heeft voorts terecht - met een beroep op de uitspraak van de Afdeling van 15 november 1999, AB 2000, 87 - geoordeeld dat indien het bestaande gebruik op grond van het overgangsrecht is toegestaan, dit niet betekent dat het bouwen ten dienste van dat gebruik is toegestaan. Het overgangsrecht met betrekking tot bouwen is niet van toepassing op het onderhavige bouwplan; appellants beroep op de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2000, AB 2000, 252, baat hem niet.

2.4. Verder heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet aan de orde is nu ten tijde van het besluit op bezwaar niet was voldaan aan de wettelijke vereisten voor toepassing van de anticipatieprocedure.

2.5. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2002

17-412.