Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2401

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2002
Datum publicatie
08-05-2002
Zaaknummer
200102084/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 298 met annotatie van I. Sewandono
JV 2002/262
RV20020039 met annotatie van Boeles P. Pieter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102084/1.

Datum uitspraak: 8 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats]

tegen een ongedateerde uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 1997 is namens de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) legalisatie geweigerd van een door appellante overgelegd [nationaliteit] uittreksel uit een geboorteregister en een verklaring van ongehuwd-zijn.

Bij besluit van 25 juli 2000 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij ongedateerde uitspraak, waarvan de Afdeling heeft vastgesteld dat deze op 20 maart 2001 is verzonden, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij faxbericht van 29 juni 2001. Deze faxberichten zijn aangehecht.

Bij brief van 10 augustus 2001 heeft de minister van antwoord gediend. Daarbij heeft hij tevens op de voet van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzocht te bepalen dat appellante geen kennis kan nemen van stukken of onderdelen daarvan, die betrekking hebben op het door de Nederlandse ambassade in [land] verrichte verificatie-onderzoek.

Op 30 augustus 2001 heeft de Afdeling in andere samenstelling beslist dat de verzochte beperking van kennisneming gerechtvaardigd is. Bij brief van 21 september 2001 heeft appellante toestemming, als bedoeld in het vijfde lid van artikel 8:29 van de Awb, verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2002, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. W.A. Venema, advocaat te Rozenburg, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.A. van Rhijn, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De minister heeft de legalisatie van het geboortebewijs geweigerd, omdat met betrekking tot legalisatie van documenten uit onder meer [land] volgens het gevoerde beleid op de aanvrager de last rust om de in beginsel aanwezige twijfel aan de juistheid van de inhoud van die documenten door middel van ondersteunende objectieve bronnen weg te nemen.

2.2. De minister heeft de legalisatie van de verklaring van ongehuwd-zijn geweigerd met toepassing van het destijds gevoerde zogenoemde koppelingsbeleid. Dit beleid houdt in dat een akte die betrekking heeft op de burgerlijke staat van een persoon, zoals een verklaring van ongehuwd-zijn, afkomstig uit onder meer [land], slechts kan worden gelegaliseerd, indien de juistheid van de persoons- en afstammingsgegevens van de in die akte vermelde persoon is vastgesteld aan de hand van een na verificatie gelegaliseerd geboortebewijs. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 juni 2000, in zaak nr. 199901701/1, JV 2000/189) is er geen grond voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat een geboortebewijs geldt als brondocument voor de vaststelling van de identiteit. De mogelijke twijfel aan de juistheid van een geboorteakte treft daarom ook een huwelijksakte, waarin dezelfde gegevens zijn opgenomen. Dat een huwelijksakte een ander doel dient doet daaraan niet af. Een huwelijksakte is weliswaar niet identiteitsbepalend, maar wel identiteitsgebonden.

2.3. Appellante betoogt in hoger beroep allereerst dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht of toepassing van het hierboven weergegeven beleid in haar geval niet in strijd komt met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

De weigering van legalisatie zal namelijk tot niet-inwilliging van haar aanvraag om toelating tot verblijf bij haar (huwelijks-) partner leiden.

Tevens moet in het kader van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht een belangenafweging worden gemaakt, aldus appellante.

2.4. Dit betoog faalt. Voorzover in de onderhavige procedure sprake kan zijn van inmenging in het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, moet deze gerechtvaardigd worden geacht ter bescherming van de goede zeden en de rechten en vrijheden van anderen, nu ten aanzien van het desbetreffende document na onderzoek is vastgesteld dat het niet voldoet aan de vereisten om tot de Nederlandse rechtsorde te kunnen worden toegelaten. Gelet op de aard van de door de minister uitgeoefende bevoegdheid, is er geen plaats voor een belangenafweging op de voet van artikel 3:4 van de Awb, zoals door appellante bepleit.

2.5. Gelet op de stukken, waarvan de Afdeling met toestemming van appellante kennis heeft kunnen nemen, de overige stukken en het verhandelde ter zitting is er voorts geen grond de rechtbank niet te volgen in haar oordeel dat de minister op goede gronden heeft geweigerd het aangeboden uittreksel uit het geboorteregister te legaliseren. Dat de minister tijdens het verificatieonderzoek geen andere geboortedatum heeft aangetroffen, betekent nog niet dat geoordeeld moet worden dat appellante erin is geslaagd om de in beginsel aanwezige twijfel aan de juistheid van de in het geboortebewijs vermelde gegevens weg te nemen. Het oordeel van de rechtbank dat de minister ook met de nader door appellante overgelegde bescheiden de bestaande twijfel niet weggenomen heeft hoeven achten, is eveneens juist.

2.6. De Afdeling kan tenslotte appellante niet volgen in haar betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de minister de tijdens de behandeling van het bezwaarschrift ingebrachte NPC-verklaring had moeten legaliseren.

De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat ten aanzien van dit document de gebruikelijke besluitvormingsprocedure dient te worden gevolgd.

2.7. De conclusie is dat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 juli 2000 terecht ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk , Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H.C.A. Muller, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Muller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2002

242-397.