Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2297

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2002
Datum publicatie
06-05-2002
Zaaknummer
200200777/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200200777/1.

Datum uitspraak: 18 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 1 februari 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 februari 2002, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 februari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 februari 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Desgevraagd heeft appellant bij brief van 15 februari 2002 een nadere memorie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Anders dan de staatssecretaris betoogt, is voldaan aan het bepaalde in artikel 70, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), nu degene die het hoger-beroepschrift als advocaat heeft ondertekend in de aanbiedingsbrief heeft verklaard dat hij tot het instellen van hoger beroep bepaaldelijk is gevolmachtigd.

2.1.1. Gelet op de door appellant bij nadere memorie overgelegde brief van PTT-post van 14 februari 2002, moet het er voorts voor worden gehouden dat het hoger-beroepschrift binnen de voor het instellen van hoger beroep gestelde termijn ter post is bezorgd.

2.2. Ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Vw 2000 kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich bij haar uitspraak beperken tot een beoordeling van de aangevoerde grieven.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan zij zich, indien zij oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, bij de vermelding van de gronden van haar uitspraak beperken tot dit oordeel.

2.3. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000, meer in het bijzonder van haar artikelen 85 en 91 - gewezen wordt op de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 9-12 - is te lezen dat is gekozen voor een beperkte vorm van hoger beroep die de Afdeling in staat stelt om grote aantallen zaken, waarin geen vragen spelen die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, op snelle en doelmatige wijze af te doen. De gewone behandeling wordt gereserveerd voor zaken waarin dergelijke vragen wel zijn gerezen.

2.4. Grief 2 klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellant niet heeft gesteld dat de traumatische gebeurtenissen in Bulgarije in oorzakelijk verband staan met de uit de periode 1990/1994 daterende problemen van appellant in Armenië. Die klacht is juist. Appellant heeft dit verband in de zienswijze van 16 januari 2002 vermeld.

De grief leidt niettemin niet tot het ermee beoogde resultaat. De Afdeling overweegt hiertoe het volgende.

2.4.1. Blijkens paragraaf C1/4.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) ziet het gevoerde zogenoemde traumatabeleid, voorzover thans van belang, op traumatische ervaringen die zijn veroorzaakt van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden. Voorts moeten de gestelde traumatiserende gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek uit het land van herkomst. In beginsel wordt dit causale verband slechts aangenomen, indien betrokkene het land binnen zes maanden na die gebeurtenissen heeft verlaten.

2.4.2. De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het aldus gevoerde beleid, mede gelet op de tijd die is verstreken tussen hetgeen in 1990 is voorgevallen en het vertrek van appellant uit Armenië in 1994, niet op appellant van toepassing is. Ook in de gestelde moord op de broer van appellant in 1994 in Armenië heeft de staatssecretaris, mede gelet op de omstandigheid dat de personen die de moord zouden hebben gepleegd niet behoren tot de categorie personen, bedoeld in voormelde paragraaf van de Vc 2000, geen aanleiding hoeven zien om dat beleid op appellant van toepassing te achten.

2.4.3. Nu de door appellant gestelde gebeurtenissen in Armenië op zichzelf geen traumata opleveren in de zin van dat beleid, hebben de ervaringen van appellant in Bulgarije deze gebeurtenissen evenmin in die zin kunnen doen herleven. De rechtbank is derhalve terecht, zij het niet op de juiste gronden, tot de slotsom gekomen dat de staatssecretaris het beroep van appellant op het gevoerde traumatabeleid niet heeft hoeven honoreren. Gelet hierop, bestaat geen grond voor het oordeel dat de gestelde gebeurtenissen in het kader van het traumatabeleid nader hadden moeten worden onderzocht.

2.4.4. Grief 1 stelt geen vragen aan de orde die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Hetgeen daarin is aangevoerd kan ook overigens niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Met dat oordeel kan, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, worden volstaan.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Kallan

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2002

15-382.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,