Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2288

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2002
Datum publicatie
06-05-2002
Zaaknummer
200201214/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 100
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 202 met annotatie van I. Sewandono
JV 2002/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200201214/1.

Datum uitspraak: 22 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 25 januari 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 januari 2002, verzonden op 20 februari 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 februari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 maart 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 100, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt op verzoek van een vreemdeling hem een raadsman toegevoegd, zodra hem ingevolge deze wet zijn vrijheid is ontnomen.

2.2. Appellant betoogt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het feit dat de regionale meldkamer van de politie te Alkmaar op zaterdag 5 januari 2002 niet aan de dienstdoende piketadvocaat heeft doorgegeven dat hij in bewaring was gesteld, niet voor verantwoording van de staatssecretaris kan komen.

Daartoe heeft appellant aangevoerd dat - samengevat weergegeven - gegarandeerd dient te zijn dat een advocaat zo snel mogelijk in kennis wordt gesteld wanneer om rechtsbijstand wordt verzocht. Hij heeft op zaterdag 5 januari 2002 aangegeven bijstand te willen van een advocaat en deze eerst op maandag 7 januari 2002 gekregen. Nu op grond van gemaakte afspraken de wijze van bekend maken van een vreemdelingrechtelijke bewaring aan de rechtshulpverlening in het weekeinde in dit geval binnen de kring van de overheid blijft, komen de gevolgen van fouten bij het uitvoeren van die afspraken voor rekening van de staatssecretaris, aldus appellant.

2.3. Deze grief kan niet tot het ermee beoogde doel leiden. Zo al zou moeten worden aangenomen dat in dit geval artikel 100, eerste lid, van de Vw 2000 is geschonden, zou dit alleen tot opheffing van de bewaring dienen te leiden, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Van een dergelijke onevenwichtigheid is geen sprake.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor de bewaring gronden aanwezig waren en dat de inbewaringstelling op zichzelf overigens niet in strijd met het recht was. De belangen, gediend met de bewaring, waren in dit geval zeer zwaarwegend, nu het gaat om een vreemdeling die wegens verscheidene strafbare feiten is veroordeeld en om die reden ongewenst is verklaard. Gesteld noch gebleken is dat appellant door de omstandigheid dat hij eerst op 7 januari 2002 rechtsbijstand heeft gekregen in zijn belangen is geschaad. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat appellant blijkens de processen-verbaal van verhoor en gehoor heeft verklaard dat hij geen gebruik wilde maken van rechtsbijstand tijdens het horen en dat het inlichten van een advocaat voldoende was.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en

mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Glerum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2002

273-345.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,