Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2111

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2002
Datum publicatie
01-05-2002
Zaaknummer
200100547/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200100547/1.

Datum uitspraak: 30 januari 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 18 december 2000 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Roerdalen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 1999, verzonden op 15 oktober 1999, hebben burgemeester en wethouders van Roerdalen (hierna: burgemeester en wethouders) afwijzend gereageerd op het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen, voorzover thans nog van belang, uitgevoerde aanlegwerkzaamheden op het Landgoed Kasteel Daelenbroeck en gebruik voor horecadoeleinden van (delen) van het kasteel.

Bij besluit van 4 februari 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar, voorzover thans nog van belang, gedeeltelijk ongegrond verklaard en aangegeven dat voor het overige nog geen besluit kan worden genomen. Dit besluit en het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften van 6 januari 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij besluit van 12 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders de bezwaren waarop nog geen besluit kon worden genomen deels ongegrond verklaard en aangegeven dat voor het overige de besluitvorming wordt aangehouden. Dit besluit en het (vervolg)advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften van 22 mei 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 18 december 2000, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het door appellant tegen beide besluiten ingestelde beroep gegrond verklaard voorzover dit is gericht tegen het gebruik (van het dak) van de kelders van het kasteel, de bestreden beslissing op bezwaar in zoverre vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand worden gelaten en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 24 januari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brieven van 7 juni 2001 onderscheidenlijk 3 augustus 2001 hebben burgemeester en wethouders en Kasteel Daelenbroeck B.V. en [belanghebbende] ieder een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van burgemeester en wethouders en mr. A.R. Klijn. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2001, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.F.C.M. Mulders, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door P.P.M. op den Camp, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Verder is ter zitting als partij gehoord [belanghebbende], bijgestaan door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Het in geschil zijnde verzoek om handhaving van appellant betreft het gebruik van (delen van) Landgoed Kasteel Daelenbroeck voor horecadoeleinden en een aantal op de omliggende gronden uitgevoerde aanlegwerkzaamheden (het kappen van fruitbomen, aanleggen van interne ontsluitingswegen, uitvoeren van egalisatiewerkzaamheden en de aanleg van een toegangsweg en parkeerplaatsen op het landgoed).

2.2. Ingevolge het ten tijde van de beslissing op bezwaar geldende bestemmingsplan “Buitengebied” gold ter plaatse de bestemming “Landgoed”. Ingevolge artikel 23 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor culturele en woondoeleinden, alsmede voor het behoud en/of herstel van de bestaande bebouwing, de hoge natuurwetenschappelijke waarden, de hoge visueel-landschappelijke waarden en de hoge cultuurhistorische waarden.

2.3. Landgoed Kasteel Daelenbroeck wordt geëxploiteerd als horecagelegenheid (hotel, restaurant, zalenverhuur). Vast staat dat dit gebruik niet in overeenstemming is met de bestemming “Landgoed”. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat burgemeester en wethouders hun standpunt dat voor het gebruik van de kelders en het daarop gelegen terras van het kasteel reeds vrijstelling en/of bouwvergunning is verleend onvoldoende hebben onderbouwd. De rechtbank heeft het besluit daarom in zoverre vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten, omdat het gebruik binnen het nieuwe - ten tijde van de aangevallen uitspraak reeds vastgestelde - bestemmingsplan zou passen. In hoger beroep komt appellant tevergeefs op tegen dit oordeel van de rechtbank.

2.4. De raad van de gemeente Roerdalen heeft op 22 juni 2000 het nieuwe bestemmingsplan “Buitengebied” vastgesteld. Dit plan is op 6 februari 2001 goedgekeurd door gedeputeerde staten van de provincie Limburg. Bij uitspraak van 14 augustus 2001 heeft de Voorzitter van de Afdeling het door appellant ingediende verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, zodat het nieuwe plan inmiddels in werking is getreden, maar nog niet onherroepelijk is geworden. Ingevolge dit plan geldt ter plaatse de bestemming “Kasteel Daelenbroeck”. Ingevolge artikel 10.1. van de planvoorschriften zijn de gronden, waar het thans om gaat, onder meer bestemd voor horecadoeleinden in de vorm van restaurant, hotel en (feest)zalencomplex. Gelet hierop is het gebruik van het landgoed voor horecadoeleinden thans in het nieuwe bestemmingsplan positief bestemd, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er geen aanleiding meer bestond om handhavend op te treden tegen het gebruik voor horecadoeleinden van het landgoed, als door appellant verzocht. Onder die omstandigheden heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 4 februari 2000 op dat punt terecht in stand gelaten.

2.5. Appellant betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat geen aanlegvergunning was vereist voor het kappen van de fruitbomen op het terrein. Dit betoog slaagt.

Ingevolge artikel 23.D, lid 1, onder h van het ten tijde van de beslissing op bezwaar geldende bestemmingsplan is het verboden op of in de tot landgoed bestemde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders houtgewas te vellen of te rooien. Volgens burgemeester en wethouders is echter geen aanlegvergunning vereist voor het kappen van fruitbomen, aangezien daarvoor op grond van de Algemeen Plaatselijke Verordening (hierna: APV) geen kapvergunning is vereist. Anders dan de rechtbank in navolging van burgemeester en wethouders heeft aangenomen, is de Afdeling van oordeel dat op grond van de planvoorschriften een aanlegvergunning vereist is. Het gegeven dat ingevolge de APV geen kapverbod geldt doet daaraan niet af. De betrokken fruitbomen zijn dan ook in strijd met de voorschriften gekapt. Burgemeester en wethouders waren derhalve bevoegd om daartegen op te treden. De rechtbank heeft dit miskend. Ook onder het nieuwe bestemmingsplan is ingevolge artikel 10.6.1., aanhef en onder g. van de planvoorschriften een aanlegvergunning vereist. Burgemeester en wethouders zijn niet toegekomen aan de beantwoording van de vraag of die vergunning alsnog kan worden verleend. Nu de rechtbank aan het vorenstaande is voorbijgegaan, komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling de bestreden beslissing op bezwaar van 4 februari 2000 in zoverre vernietigen.

2.6. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat legalisering van de interne ontsluitingswegen die op de bij het landgoed behorende gronden zijn aangelegd, niet in de rede ligt, zodat ten onrechte is geoordeeld dat burgemeester en wethouders daartegen niet behoefden op te treden. De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank het niet beslissen van burgemeester en wethouders dienaangaande terecht heeft aangemerkt als de handhaving van de weigering om op te treden. Niet in geschil is dat voor de aanleg van de ontsluitingswegen niet de daarvoor ingevolge het ten tijde van de beslissing op bezwaar geldende bestemmingsplan “Buitengebied” vereiste aanlegvergunning is verleend. Burgemeester en wethouders waren derhalve bevoegd om daartegen op te treden.

Ingevolge artikel 10.3, onder a., van de planvoorschriften van het nieuwe bestemmingsplan “Buitengebied” is hoofdontsluiting van het nieuwe terrein uitsluitend toegestaan ter plaatse van de op de detailkaart “Kasteel Daelenbroeck” aangegeven aanduiding “hoofdontsluitingsweg” en mag de breedte van deze weg maximaal 6 meter bedragen.

Onder b in dit artikellid zijn overige ontsluitingswegen en verharde paden uitsluitend toegestaan ter plaatse van de op de detailkaart “Kasteel Daelenbroeck” aangegeven aanduidingen. Voor de overige ontsluitingswegen geldt een wegbreedte van maximaal 4,5 meter en voor paden geldt een breedte van maximaal 3 meter.

Ingevolge artikel 10.6.1, aanhef en onder e., sub 2, van de planvoorschriften is het verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) verharde wegen/paden aan te leggen ter plaatse van de aanduiding “hoofdontsluiting”, “overige ontsluitingswegen” en “verharde paden”, waarbij overigens voldaan moet worden aan de maten genoemd in artikel 10.3., onder a en b.

De stukken en het verhandelde ter zitting hebben de Afdeling geen duidelijkheid verschaft over de situering van de interne ontsluitingswegen en de breedte daarvan, zodat ook niet inzichtelijk is geworden of daarvoor (alsnog) een aanlegvergunning kan worden verleend. Nu in de beslissing op bezwaar terzake geen motivering is gegeven, ontbeert dit besluit een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit miskend en de aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, de beslissing op bezwaar van 12 juli 2000 in zoverre vernietigen.

2.7. Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat voor de uitgevoerde egaliseringswerkzaamheden geen aanlegvergunning is vereist, treft evenzeer doel.

Ingevolge artikel 23.D van de planvoorschriften van het ten tijde van de beslissing op bezwaar geldende bestemmingsplan is het verboden op of in de tot “Landgoed” bestemde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, geen normale onderhoudswerkzaamheden zijnde uit te voeren:

(...)

d. het ontginnen; het ophogen; het egaliseren;

(...).

Burgemeester en wethouders stellen zich op het standpunt dat bij ophogingen van niet meer dan 50 cm, zoals hier het geval zou zijn, sprake is van normale onderhoudswerkzaamheden, waarvoor geen aanlegvergunning is vereist. Daarbij hebben zij aansluiting gezocht bij het aanlegvergunningstelsel zoals dat is opgenomen in de 1e wijziging van het bestemmingsplan “Buitengebied aangaande de Golfbaan”. Naar het oordeel van de Afdeling gaat het hier om egalisatiewerkzaamheden waarvoor, naar de rechtbank heeft miskend, een aanlegvergunning is vereist. Dat in een ander bestemmingsplan over ophogingen van meer dan 50 cm wordt gesproken, doet daaraan niet af. Nu de egalisatiewerkzaamheden zonder de daartoe vereiste vergunning hebben plaatsgevonden, hebben burgemeester en wethouders zich ten onrechte niet bevoegd geacht om daartegen op te treden. Ingevolge artikel 10.6.1., aanhef en onder c, van de planvoorschriften van het nieuwe bestemmingsplan is het egaliseren van de bodem eveneens aanlegvergunningplichtig. Burgemeester en wethouders zijn niet toegekomen aan de beantwoording van de vraag of die vergunning alsnog kan worden verleend. Gelet hierop komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling de bestreden beslissing op bezwaar van 12 juli 2000 ook in zoverre vernietigen.

2.8. Tenslotte slaagt het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn bezwaren tegen de op het terrein gelegen toegangsweg en parkeerplaatsen. Zowel in het inleidende verzoek, als in bezwaar en beroep heeft appellant dit immers aan de orde gesteld.

Vast staat dat de aanleg van de toegangsweg en de parkeerplaatsen op grond van het voorheen geldende plan aanlegvergunningplichtig waren. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat de werkzaamheden in ieder geval op onderdelen niet overeenkomstig de verleende aanlegvergunningen zijn uitgevoerd. Burgemeester en wethouders hebben zich dan ook ten onrechte niet bevoegd geacht om daartegen handhavend op te treden. Ook onder het nieuwe bestemmingsplan is ingevolge de artikelen 10.3. en 10.6 van de planvoorschriften een aanlegvergunning vereist. Burgemeester en wethouders zijn niet toegekomen aan de beantwoording van de vraag of daarvoor alsnog vergunning kan worden verleend. De rechtbank heeft dit gebrek van het bestreden besluit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling de bestreden beslissing op bezwaar van 12 juli 2000 ook in zoverre vernietigen.

2.9. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, vernietigd dient te worden als hierna aangegeven. Tevens zal de Afdeling de beslissingen op bezwaar van 4 februari 2000 en 12 juli 2000 vernietigen voorzover hierna aangegeven.

2.10. Burgemeester en wethouders dienen op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 18 december 2000, reg.nrs. 00/250 en 00/697 BSTPL K1, voorzover het beroep tegen de besluiten van burgemeester en wethouders van Roerdalen van 4 februari 2000 en 12 juli 2000, kenmerk NAT MSPAN 64 en VOL PODC 66 ongegrond is verklaard;

III. vernietigt voormeld besluit van 4 februari 2000, voorzover het betreft het kappen van de fruitbomen en voormeld besluit van 12 juli 2000, voorzover het betreft de egalisatiewerkzaamheden, de aanlegvergunning(en) voor de interne wegen en de toegangswegen alsmede de parkeerplaatsen;

IV. draagt burgemeester en wethouders van Roerdalen op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

V. veroordeelt burgemeester en wethouders van Roerdalen in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 694,28, waarvan € 644,37 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door gemeente Roerdalen te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat gemeente Roerdalen aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 154,29) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

Bij verhindering van

de ambtenaar van Staat:

w.g. De Gooijer w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2002

19-369.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,