Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2084

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
01-05-2002
Zaaknummer
200101696/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/742
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200101696/1.

Datum uitspraak: 1 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 2 maart 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Enschede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 1999 hebben burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd om aan appellant vrijstelling te verlenen voor het in stand houden van een woning in een gedeelte van de bedrijfsruimte, gelegen op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel), dan wel hem daarvoor voor de duur van twee jaar een vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de wet).

Bij besluit van 23 juni 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en, met een verbeterde motivering, de weigering om de vrijstellingen te verlenen gehandhaafd. Dit besluit en het advies van Commissie voor Bezwaar en Beroep van 15 maart 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 2 maart 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 5 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 6 april 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 augustus 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2002, waar appellant in persoon, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door S.A.J. Braakman, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant exploiteert op het bedrijventerrein Binnenhaven een bedrijf dat zich toelegt op de serviceverlening, reparatie en verkoop van karts. Ter plaatse geldt als bestemmingsplan het “Uitbreidingsplan 1949, Havengebied” (hierna: het plan). Bij besluit van 20 maart 1996 hebben burgemeester en wethouders aan appellant met toepassing van artikel 17 van de wet voor de duur van drie jaar vrijstelling van het plan en bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een gedeelte van de betrokken bedrijfsruimte tot woning.

2.2. Het perceel is ingevolge het plan aangewezen voor de bestemming “Industrie”.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften wordt daaronder verstaan gebouwen, opgericht ten dienste van groothandel en industrie.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dat artikel ten behoeve van maximaal vier dienstwoningen (lees: per bedrijf).

2.3. Het geschil beperkt zich tot de weigering van burgemeester en wethouders de vrijstelling als bedoeld in vermeld artikel 7, tweede lid, te verlenen.

2.4. Burgemeester en wethouders hebben de aanvraag van appellant getoetst aan hun beleid neergelegd in de nota inzake dienstwoningen op bedrijventerreinen van 28 mei 1996 van de directeur van de Bouwdienst van de gemeente, die zij in hun vergadering van 25 juni 1996 hebben overgenomen (hierna: het beleid).

2.5. Het betoog van appellant dat toepassing van het beleid onredelijk is nu dit in de praktijk ertoe leidt dat geen enkele vrijstelling van het plan meer kan worden verleend, slaagt niet. Blijkens het beleid wordt de vestiging van een dienstwoning slechts mogelijk geacht wanneer huisvesting gelet op de bestemming van het gebouw of van terrein noodzakelijk is, tenzij de aanvrager zich kan beroepen op een toezegging. Verder is daarin onder punt 16, III, a, opgenomen dat een vrijstelling van het bestemmingsplan wordt geweigerd indien deze vanuit milieu invalshoek een belemmering oplevert voor omringende bedrijven. Niet kan worden staande gehouden dat na toetsing aan deze criteria het verlenen van een vrijstelling van het plan voor het gehele gebied zou zijn uitgesloten. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders, in aanmerking genomen de belangen die hen ten tijde van hun besluit van 25 juni 1996 bekend waren of behoorden te zijn, niet in redelijkheid tot het vaststellen van de voormelde uitgangspunten van het beleid hebben kunnen komen.

2.6. Appellant betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de vraag of het beleid aan de vrijstelling in de weg staat.

2.6.1. Burgemeester en wethouders hebben in de beslissing op bezwaar de weigering om vrijstelling te verlenen gebaseerd op twee gronden:

a. de dienstwoning levert milieubelemmeringen op voor bestaande en toekomstige bedrijven;

b. vanwege de telecommunicatiemogelijkheden en mobiliteit is het in de huidige tijd niet meer noodzakelijk om bij het bedrijf te wonen.

2.6.2. Burgemeester en wethouders hebben de milieubezwaren ontleend aan een rapport van de Milieudienst van de gemeente Enschede van 8 november 1995. In dit rapport wordt gesteld dat de dienstwoning een belemmering zal vormen voor toekomstige activiteiten in het vroegere pand van [derde]. Ter zitting is evenwel gebleken dat dit pand is afgebrand en er nog steeds geen nieuw bedrijf is gevestigd. Voorts is gebleken dat in het Havengebied, dat in zijn geheel is bestemd voor industrie, reeds een zeer groot aantal dienstwoningen aanwezig is, alsmede dat in de directe nabijheid van de beoogde dienstwoning van appellant, aan de overzijde van de straat, woonboten zijn gelegen. Gelet op het grote aantal dienstwoningen in het gebied en de aanwezigheid van woonboten in de directe nabijheid van het perceel en in aanmerking genomen dat niet is gebleken van bedrijven die belemmerd worden door de aanwezigheid van een dienstwoning van appellant is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat belemmeringen van milieutechnische aard voor omringende bedrijven zich verzetten tegen verlening van de gevraagde vrijstelling.

Voorts overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat vanwege de huidige telecommunicatiemogelijkheden en mobiliteit een dienstwoning niet meer noodzakelijk is een grond is die tot weigering van ieder verzoek om vrijstelling zou moeten leiden, waardoor artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften feitelijk buiten werking zou worden gesteld. Naar appellant bovendien onweersproken heeft gesteld is in 1999 nog vrijstelling verleend voor een dienstwoning bij het in het Havengebied gelegen pand [locatie 2]. Naar het oordeel van de Afdeling kan deze grond de weigering om vrijstelling te verlenen dan ook evenmin dragen. Gelet op de toelichting ter zitting moet bovendien aannemelijk worden geacht dat, in verband met de bedrijfsvoering, de telecommunicatiemogelijkheden en mobiliteit niet afdoen aan de door appellant gestelde noodzaak bij het bedrijf te wonen.

2.6.3. Anders dan de rechtbank is de Afdeling derhalve van oordeel dat de door burgemeester en wethouders in de beslissing op bezwaar gebezigde gronden de weigering om vrijstelling te verlenen niet kunnen rechtvaardigen.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

2.8. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten in beroep en hoger beroep te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 2 maart 2001, 00/618 WRO19 H1 A;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Enschede van 23 juni 2000, 00BB008895 BBH;

V. draagt burgemeester en wethouders van Enschede op binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit aan appellant toe te zenden;

VI. veroordeelt burgemeester en wethouders van Enschede in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Enschede te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de gemeente Enschede aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 256,39) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2002

71.