Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2083

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
01-05-2002
Zaaknummer
200102666/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102666/1.

Datum uitspraak: 1 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting thuiszorg Walcheren", gevestigd te Middelburg,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 18 april 2001 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 september 1999 heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de staatssecretaris) het verzoek van appellante om haar een tegemoetkoming te verstrekken in de frictiekosten, afgewezen.

Bij besluit van 18 mei 2000 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de VWS-commissie bezwaarschriften Awb van dezelfde dag, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 18 april 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 25 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 juli 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 augustus 2001 heeft de staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2001, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam en de minister, vertegenwoordigd door drs. G.T.M. Adriaansens, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen. Voorts is verschenen [naam rechtspersoon], voorzitter van de raad van bestuur van appellante.

2. Overwegingen

2.1. Op 10 september 1997 is tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg een convenant gesloten inzake indicatiestelling op het terrein van de thuiszorg. Aanleiding hiervoor was de overheveling per 1 januari 1998 van de awbz-indicatiestellingen thuiszorg van de thuiszorginstellingen naar de regionale indicatieorganen. In het convenant is opgenomen, dat, onverlet het uitgangspunt frictiekosten te voorkomen, niet kan worden uitgesloten dat aan het eind van het overhevelingstraject frictiekosten zullen resteren. Om te voorkomen dat deze kosten het zorgbudget belasten, zullen deze gevallen aan de staatssecretaris worden voorgelegd teneinde een oplossing te vinden.

2.2. Bij brief van 10 september 1997 heeft de staatssecretaris zich - zoals ook in het advies van de VWS-commissie bezwaarschriften is aangegeven - in de context van het convenant en de overhevelingsoperatie bereid verklaard om in die gevallen, waarin frictiekosten absoluut niet te vermijden zijn en dat gegeven ook in een “second opinion” wordt bevestigd, aan een oplossing bij te dragen. De in de brief van 16 maart 1999 neergelegde beleidsregel en het bijbehorende toetsingskader is een nadere uitwerking van deze toezegging. In de beleidsregel zijn de voorwaarden opgenomen waaraan moet zijn voldaan om voor een bijdrage van de staatssecretaris in aanmerking te komen. Tevens is daarin aangegeven dat door de instellingen moet worden aangetoond dat de criteria en dat de bedragen waarop de claim is gebaseerd, worden onderbouwd door het overleggen van bewijsstukken zoals arbeidscontracten, ontslagvergunningen, nota’s en bestuursverklaringen dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

2.2.1. Appellante heeft bij het verzoek om vergoeding van de frictiekosten niet aangetoond dat door haar de gestelde kosten zijn gemaakt; evenmin heeft zij de in de beleidsregel genoemde stukken overgelegd. Bij brief van 22 juli 1999 heeft de staatssecretaris appellante verzocht uiterlijk op 10 augustus 1999 in een nadere brief duidelijk en helder te omschrijven of en, zo ja, welke tegemoetkoming in de frictiekosten wordt gevraagd. Daarbij heeft hij appellante erop gewezen, dat op alle in het toetsingskader genoemde onderwerpen, criteria en voorwaarden moet worden ingegaan en dat de aanvraag dient te worden onderbouwd met verifieerbare documenten. Appellante heeft desondanks de gevraagde informatie niet verstrekt. Mede op deze grond is bij het besluit van 3 september 1999 het verzoek van appellante om een bijdrage in de frictiekosten afgewezen. Ook in bezwaar heeft appellante de gevraagde stukken niet - althans niet volledig - overgelegd. De minister heeft het door appellante ingediende bezwaarschrift dan ook terecht ongegrond verklaard.

2.2.2. Dat appellante in beroep bij de rechtbank de gevraagde stukken ten dele alsnog heeft overgelegd, kan hieraan niet afdoen. Ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar was deze informatie de minister immers niet bekend, zodat hij deze niet bij de besluitvorming heeft kunnen betrekken. Nu appellante reeds bij brief van 22 juli 1999 is verzocht de gevraagde informatie te verstrekken, kan niet worden staande gehouden dat de minister, door in het kader van de bezwaarschriftenprocedure niet nogmaals om overlegging van de stukken te verzoeken, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gehandeld. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Van Loon

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2002

284-364.