Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2076

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
01-05-2002
Zaaknummer
200004358/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2003, 67 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200004358/1.

Datum uitspraak: 1 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Oirschot,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 1998, kenmerk kst, hebben verweerders een verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen op grond van de Wet milieubeheer met betrekking tot het houden van honden door [vergunninghouder] op het perceel [locatie] afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 5 oktober 1999, verzonden op 13 oktober 1999, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft de ondeugdelijke motivering van het besluit, het besluit van 7 oktober 1998 herroepen en besloten geen bestuursdwang toe te passen op basis van de Wet milieubeheer. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 24 november 1999 beroep ingesteld. De arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) heeft het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op 12 september 2000 doorgezonden naar de Raad van State. Dit beroepschrift is aangehecht.

Bij besluit van 12 september 2000 hebben verweerders een nieuw besluit op bezwaar genomen. Dit besluit is aangehecht.

Bij brief van 11 december 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.K. Weterings, gemachtigde, is verschenen. Voorts is [vergunninghouder], bijgestaan door mr. T.I.P. Jeltema, advocaat te Veldhoven, gehoord. Verweerders hebben bericht niet te zullen verschijnen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft bij uitspraak van 18 augustus 2000 op het beroep van, ondermeer, appellant het besluit van verweerders van 5 oktober 1999 vernietigd. De Afdeling verstaat deze uitspraak aldus dat het besluit is vernietigd voorzover het geen betrekking heeft op de Wet milieubeheer. Het betoog van verweerders dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het gericht is tegen een vernietigd besluit, treft daarom geen doel.

2.1.1. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, wordt, indien het bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

2.1.2. Bij besluit van 12 september 2000 hebben verweerders een nieuw besluit op bezwaar genomen, inhoudende dat geen bestuursdwang zal worden toegepast op grond van de Wet milieubeheer. Gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb moet het beroep van appellant worden geacht mede te zijn gericht tegen dit nieuwe besluit.

2.2. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:

a. op te richten;

(...)

c. in werking te hebben.

Onder inrichting dient ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer te worden verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Ingevolge artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer moeten bij algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen worden aangewezen die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken. Aan deze bepaling is uitvoering gegeven in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Besluit). Het vierde lid van dit artikel bepaalt -voorzover hier van belang- dat in het kader van deze wet onder inrichting moet worden verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit, in samenhang met Bijlage 1, categorie 8, onderdeel 8.1, is een krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning vereist voor een inrichting voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

2.3. Verweerders hebben de bestreden besluiten, waarin het verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen op grond van de Wet milieubeheer is afgewezen, doen steunen op de overweging dat op het desbetreffende perceel vijf golden retrievers worden gehouden. Volgens de door verweerders gehanteerde “Richtlijn voor het hobbymatig houden van dieren” van het Ministerie van Vrom, is geen sprake van bedrijfsmatige activiteiten indien maximaal vijf honden worden gehouden. Verweerders stellen zich op het standpunt dat, mede gelet op de omstandigheid dat slechts één of twee nestjes per jaar worden gefokt, hiermee niet voor de verkoop wordt geadverteerd en gelet op het aantal honden dat gewoonlijk door bedrijfsmatige fokkers wordt gehouden, er geen sprake is van een bedrijfsmatige of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid. Verweerders zijn daarom van mening dat geen sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.

2.3.1. Appellant stelt dat de hondenkennel huisvesting kan bieden aan 35 honden en dat dit derhalve een omvang is die als bedrijfsmatig kan worden aangemerkt. Appellant betoogt dat de activiteiten van een zodanige omvang zijn dat hij geluidhinder ondervindt. Voorts voert appellant aan dat het vastgestelde geluidsniveau op de achtergevel van zijn woning niet juist is.

2.3.2. De Afdeling overweegt in de eerste plaats dat verweerders geen beoordelingsvrijheid toekomt bij de vaststelling of een bedrijvigheid een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer is. Aan de door verweerders gehanteerde richtlijn van het Ministerie van Vrom komt in dit verband dan ook geen doorslaggevende betekenis toe.

2.3.3. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting worden door belanghebbende op het perceel [locatie], dat aan de rand van de bebouwde kom van Middelbeers is gelegen, vijf honden, waarvan drie teefjes, gehouden. Eén van de teefjes is gesteriliseerd. De honden worden voornamelijk op het terrein buiten het huis gehouden. Op dit terrein bevindt zich een buitenren van tien bij tien meter, waarop eveneens een binnenhok van zes bij zes meter staat.

Voorts is niet gebleken van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie door belanghebbende. Niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende met de verkoop van pups inkomsten verwerft, temeer daar ter zitting is gebleken dat in de afgelopen vier jaar slechts twee nestjes pups zijn geboren. Deze omstandigheden in aanmerking genomen, bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het standpunt dat moet worden gesproken van een bedrijfsmatige activiteit. Evenmin is, mede gelet op het geringe aantal honden waarmee wordt gefokt, in dit geval sprake van een bedrijvigheid in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was. Dat de huisvesting mogelijk geschikt is voor het houden van meer dan vijf honden doet daaraan, gelet op het ten tijde van de bestreden besluiten feitelijk gehouden aantal honden, niet af. Het vorenstaande leidt de Afdeling tot de conclusie dat niet kan worden gesproken van een inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste lid van de Wet milieubeheer.

2.3.4. De door appellant aangevoerde omstandigheid dat het houden van honden overlast voor de omgeving met zich brengt kan niet tot een ander oordeel leiden aangezien dit niet relevant is voor de vraag of sprake is van een inrichting in de zin van evengenoemd artikellid. Dit geldt evenzeer voor de door appellant gestelde onjuistheid van het vastgestelde geluidsniveau op de achtergevel van zijn woning.

2.3.5. Verweerders hebben dan ook terecht afgezien van toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen op grond van de Wet milieubeheer.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Wolff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2002

348-380.