Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2069

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
01-05-2002
Zaaknummer
200004498/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002/369 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Module Ruimtelijke ordening 2002/3227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200004498/1.

Datum uitspraak: 1 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats]

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 7 augustus 2000 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Op 18 september 1996 hebben burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: burgemeester en wethouders) aan Peldayne Investments B.V. (hierna: vergunninghoudster) bouwvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van het gebouw aan de Keizersgracht 418-424 te Amsterdam met bestemming daarvan tot kantoorruimten ten behoeve van de Agrarische Termijnhandel Amsterdam (hierna; A.T.A.) en een daarbij behorende parkeergarage voor elf auto’s.

Vergunninghoudster heeft op 26 mei 1997 bij de gemeente Amsterdam een verzoek ingediend goedkeuring te verlenen aan wijzigingen van de bij voormelde bouwvergunning behorende bouwtekeningen. Op 16 juni 1997 zijn deze - gewijzigde - tekeningen van gemeentewege voorzien van een gestempelde mededeling: “tegen revisie geen bezwaar”.

Bij besluit van 30 oktober 1997 hebben burgemeester en wethouders de verzoeken van appellanten tot intrekking van de bouwvergunning en tot stillegging van de bouwwerkzaamheden afgewezen.

Bij besluit van 24 maart 1998 hebben burgemeester en wethouders aan vergunninghoudster vrijstelling verleend voor het gebruik van het pand als kantoorruimte.

Bij brief van 27 april 1997 hebben appellanten burgemeester en wethouders verzocht vergunninghoudster onder aanzegging van bestuursdwang te gelasten alle (gerealiseerde) afwijkingen van de bouwvergunning ongedaan te maken.

Bij besluit, uitgereikt op 29 april 1998, hebben burgemeester en wethouders onder aanzegging van bestuursdwang vergunninghoudster gelast het bouwen van balkons in afwijking van de verleende bouwvergunning onmiddellijk te staken.

Bij brief van 15 mei 1998 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen de (fictieve) weigering te beslissen op hun verzoek van 27 april 1998.

Bij besluit van 31 augustus 1998 hebben burgemeester en wethouders de tegen genoemde besluiten door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Bezwaarschriftencommissie van 31 juli 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 7 augustus 2000, verzonden op 9 augustus 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 19 september 2000, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 oktober 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2001, waar [drie appellanten] in persoon zijn verschenen en de overige appellanten hebben vertegenwoordigd, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door C. Cordes en I. Jansma, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. M.E. van Huet, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Vast staat dat de bij besluit van 18 september 1996 verleende bouwvergunning rechtens onaantastbaar is geworden alsook dat in het pand niet de A.T.A. zal worden gevestigd maar vier kantoren.

2.2. Appellanten hebben betoogd dat de omstandigheid dat in het pand niet de A.T.A. zal worden gevestigd maar vier kantoren had behoren te leiden tot intrekking van de bouwvergunning.

2.3. Ingevolge artikel 59, eerste lid, onder a, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning intrekken indien blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave hebben verleend.

2.4. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bouwvergunning is aangevraagd voor een ander doel dan het in de aanvraag genoemde gebruik ten behoeve van de A.T.A.. Na verlening van de bouwvergunning is de A.T.A. door de Optiebeurs overgenomen, waarmee tevens de verhuizing van de A.T.A. naar het pand Keizersgracht 418-424 kwam te vervallen. Artikel 59, eerste lid, onder a, van de Woningwet is evenwel niet van toepassing in geval van wijziging van omstandigheden na verlening van de bouwvergunning.

Burgemeester en wethouders hebben dan ook terecht geweigerd de bouwvergunning in te trekken.

2.5. Appellanten hebben voorts betoogd dat niet kon worden volstaan met het verlenen van een - in de bewoordingen van partijen - revisievergunning. Blijkens de stukken en het onderzoek ter zitting doelen zij daarbij op het op 16 juni 1997 op de gewijzigde bouwtekeningen aangebrachte stempel met de mededeling “tegen revisie geen bezwaar”.

Gelet op het feit dat de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan, in onderlinge samenhang bezien, niet van ondergeschikte aard zijn en bovendien verband houden met een gewijzigd gebruik dat in strijd is met het bestemmingsplan had hier, aldus appellanten, de normale procedure voor de verlening van een bouwvergunning moeten worden doorlopen. Bij het volgen van de juiste procedure hadden de bezwaren van appellanten samenhangend met hun privacy een rol kunnen spelen. Dat is nu ten onrechte niet gebeurd.

2.6. Met betrekking tot het rechtskarakter van het stempel met de tekst “tegen revisie geen bezwaar” op de bouwtekeningen die wijzigingen inhouden ten opzichte van de bouwtekeningen die behoren bij een eerder verleende, inmiddels rechtens onaantastbaar geworden, bouwvergunning overweegt de Afdeling het volgende.

2.7. De Afdeling heeft kennis genomen van de bouwtekeningen en geconstateerd dat de wijzigingen betreffen:

- het vervangen van de ramen in het lichthof door deuren met een

Frans balkon;

- het wijzigen van de achtergevel ter plaatse van het dak door het maken van

een loggia;

- het wijzigen van de indeling van het centrale trappenhuis.

Uit de stukken blijkt dat het voorstel tot wijziging van evenbedoelde bouwtekeningen is behandeld door leden van het gemeentelijke bouwberaad, dat ter zake een positief welstandsadvies is uitgebracht, dat de gewijzigde tekeningen vervolgens zijn voorzien van het stempel “tegen revisie geen bezwaar” en dat deze aldus gestempelde tekeningen door de behandelende buitendienst ambtenaar aan de vergunninghoudster zijn afgegeven.

2.8. De Afdeling is van oordeel dat het afgeven van het hierboven genoemde stempel opgevat moet worden als het besluit van burgemeester en wethouders dat de wijzigingen kunnen worden aangemerkt als veranderingen van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet, waarvoor geen bouwvergunning is vereist. Dat besluit kan de toets der kritiek doorstaan. Daartoe overweegt de Afdeling, na kennisneming van de ter zitting getoonde tekeningen en de daarop door partijen gegeven toelichting, dat genoegzaam is komen vast te staan, dat het oorspronkelijke bouwplan, mede gelet op het positief welstandsadvies, zowel in bouwkundig als stedenbouwkundig opzicht geen wezenlijke verandering ondergaat en de onderhavige wijzigingen derhalve terecht als zijnde van ondergeschikte aard zijn aangemerkt. De omstandigheid dat tevens sprake is van een gewijzigd gebruik dat in strijd is met het bestemmingsplan maakt dit hier niet anders, aangezien de voorgestelde wijzigingen van de bouwtekeningen niet strekken tot een wijziging van het gebruik maar los daarvan staan. Burgemeester en wethouders hebben de tegen dat besluit gerichte bezwaren dan ook terecht ongegrond verklaard.

2.9. Ten behoeve van het met de bestemming “openbare en bijzondere voorzieningen” strijdige gebruik als kantoor hebben burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 6, vijfde lid, van de voorschriften bij het bestemmingsplan “Westelijke Grachtengordel” vrijstelling verleend. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat burgemeester en wethouders daartoe op de in de beslissing op bezwaar gebezigde gronden na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid hebben kunnen besluiten. Niet valt in te zien dat het gebruik van het pand als kantoor ten behoeve van de beursinstelling A.T.A. wezenlijk verschilt van het gebruik ervan als kantoor ten behoeve van instellingen die niet zijn aan te merken als openbare of bijzondere voorziening. Nu ten aanzien van het gewijzigde gebruik een zelfde belangenafweging heeft plaatsgevonden als zou zijn geschied indien het gehele bouwplan opnieuw zou zijn beoordeeld hebben burgemeester en wethouders in dit geval in redelijkheid kunnen volstaan met handhaving van de vrijstelling ten behoeve van de reeds verleende bouwvergunning.

2.10. Tot slot is uit de stukken en het verhandelde ter zitting ook de Afdeling niet gebleken dat er in afwijking van de verleende vergunning en het besluit van 16 juni 1997 bouwwerkzaamheden zijn verricht waarin burgemeester en wethouders aanleiding hadden behoren te zien ter zake met bestuursdwang op te treden.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. R.R. Winter, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Boukema w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2002

71.