Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2064

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
01-05-2002
Zaaknummer
200102639/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2002/90 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102639/1.

Datum uitspraak: 1 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vennootschap onder firma "[appellant sub 1]", gevestigd te [plaats], en [appellant sub 2], wonende te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2000 heeft de gemeenteraad van IJsselham, thans Steenwijk, op voorstel van burgemeester en wethouders van 14 juli 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Ossenzijl-Hoofdstraat/Hilligerspoortweg".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 27 februari 2001, RWB/2000/2696, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 22 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 augustus 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 22 januari 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2002, waar verweerders, vertegenwoordigd door J. Wildeboer, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is de raad van de gemeente Steenwijk , vertegenwoordigd door

mr. T. Tuenter, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

Appellanten zijn met kennisgeving niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op gronden in de kern Ossenzijl ten zuiden van de Hoofdstraat en op een terrein aan de westzijde van de Hilligerspoortweg. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van een aantal woningen, de uitbreiding van een rijwielhandel en een uitbreiding van een opslagplaats ten behoeve van riet.

Verweerders hebben het plan grotendeels goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten kunnen zich niet met het goedkeuringsbesluit verenigen. Zij vrezen dat de komst van de geprojecteerde woningen hun bedrijfsvoering en de uitbreiding van hun bedrijf zal beperken.

Appellanten voorzien tevens problemen met de naleving van de milieuvergunning. Zij voeren aan dat de afstanden zoals genoemd in de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” (hierna te noemen: de Brochure) in acht hadden moeten worden genomen.

2.4. De gemeenteraad heeft erop gewezen dat de door appellanten uit de Brochure aangehaalde afstanden gebaseerd zijn op het aspect geluid. Mits het bedrijf van appellanten zich houdt aan de voorwaarden gesteld in de milieuvergunning, zal bij de te bouwen woningen een redelijk woon- en leefklimaat heersen, aldus is volgens de raad uit akoestisch onderzoek gebleken. De milieuvergunning stelt dan ook in dit geval de bescherming van het leefmilieu, maar tevens de ontwikkelingsruimte van het bedrijf van appellanten veilig.

2.5. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de afstandsnorm, genoemd in de Brochure in deze situatie niet uitvoerbaar is. Bepalend is de geluidsproduktie die het bedrijf met zich mee brengt. Daar de milieuvergunning reeds eisen stelt omtrent de maximale geluidsproduktie brengt de komst van de geprojecteerde woningen geen onevenredige beperking ten opzichte van de huidige bedrijvigheid met zich mee. Verweerders hebben dan ook geen aanleiding gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd.

2.6. De gronden van appellanten vallen buiten de plangrenzen van het bestreden bestemmingsplan. Het bedrijf bevindt zich aan de noordzijde van de Hoofdstraat. Aan de gronden tegenover het bedrijf van appellanten is in het plan de bestemming “Woongebied” toegekend.

Voor een bedrijf voor dienstverlening ten behoeve van de landbouw, zoals het landbouwmechanisatiebedrijf van appellanten is, stelt de Brochure van 1999 een afstand van 50 meter tot een rustige woonwijk voor. De afstand tussen het bedrijf van appellanten en de dichtstbijzijnde plaats waar het plan woningbouw mogelijk maakt bedraagt 20 meter. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan had moeten worden uitgegaan van de afstanden genoemd in de Brochure merkt de Afdeling op dat de in de Brochure aangegeven afstanden indicatief zijn. Afwijking van de in de Brochure genoemde afstanden dient echter gemotiveerd te worden.

2.6.1. Gebleken is dat aan appellanten op 4 mei 1994 een milieuvergunning is verleend, waarbij een geluidsniveau ter plaatse van woningen van derden van ten hoogste 45 dB(A) tijdens de dagperiode en 40 dB(A) in de avond is toegestaan. Uit een akoestisch onderzoek dat appellanten hebben laten instellen, is gebleken dat deze waarden ten gevolge van de toeneming van de bedrijfsactiviteiten niet voor alle in het plan voorziene nieuwe woningen meer kunnen worden gehaald. Uit een reactie van de milieudienst Regio IJssel Vecht blijkt echter dat door het treffen van enkele maatregelen op het bedrijf de overschrijding nog slechts op één woning betrekking zal hebben. Het gaat daarbij om een overschrijding van 2 dB(A). Op die locatie ligt echter het referentieniveau van het omgevingsgeluid hoger dan het geluidsniveau vanwege het bedrijf, zodat er geen belemmering bestaat om appellanten eventueel een gewijzigde milieuvergunning te verlenen. Verder merkt de Afdeling op dat op zeer korte afstand van het bedrijf, namelijk 7 meter, reeds een woning staat. Met deze woning zullen appellanten derhalve in de eerste plaats rekening moeten houden. Gelet op de in het plan gehanteerde afstanden kunnen appellanten in hun huidige bedrijfsvoering en de uitbreidingsmogelijkheden ten gevolge van de bouw van de woningen wellicht enigszins worden beperkt, doch naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij de ontwikkeling van de woningbouw. De Afdeling acht het standpunt van verweerders dat in dit geval een afwijking van de in de Brochure neergelegde afstanden vanuit planologisch oogpunt aanvaardbaar is, niet onredelijk.

Gezien het voorgaande is evenmin aannemelijk dat voor de nieuwe woningen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

2.6.2. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Troost

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2002

234-425.