Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2063

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
01-05-2002
Zaaknummer
200103367/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2002/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103367/1.

Datum uitspraak: 1 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het openbaar lichaam “Bestuurscommissie voor het Openbaar Primair en Voortgezet Speciaal Onderwijs Arnhem", gevestigd te Arnhem,

appellant,

en

de stichting "Stichting Participatiefonds voor het onderwijs",

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2000 heeft verweerster het verzoek van appellant om de uitkeringskosten, die bij hem opkomen als gevolg van een met een ontslag gelijk te stellen beëindiging van een tijdelijk dienstverband van een ict-assistent met ingang van 1 september 2000, voor haar rekening te nemen, afgewezen.

Bij besluit van 21 mei 2001 heeft verweerster het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 26 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 augustus 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 november 2001 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J. Schutter en [gemachtigde], en verweerster, vertegenwoordigd door mr. L.G. Kok en mr. M. Visser zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 138, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO) - voorzover hier van belang - worden op de vergoeding van de uitgaven voor het personeel in mindering gebracht de kosten voor werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel, tenzij de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van die kosten.

Ingevolge artikel 184, eerste lid, van de WPO - voorzover hier van belang - is het bevoegd gezag van een school aangesloten bij een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel.

Ingevolge artikel 184, vierde lid, van de WPO - voorzover hier van belang - stelt de rechtspersoon regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 138, derde lid.

2.1.1. Verweerster is de in artikel 184 van de WPO bedoelde rechtspersoon. Zij heeft voor het schooljaar 2000-2001 het “Reglement Participatiefonds Primair Onderwijs 2000-2001” (hierna: het Reglement) opgesteld, dat in werking getreden is op 1 februari 2000 en betrekking heeft op ontslagen per of na 1 augustus 2000.

Ingevolge artikel 1, onder 22, van het Reglement - voorzover hier van belang - wordt het eindigen van een dienstverband voor bepaalde tijd ongeacht de reden met ontslag gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 6.1 van het Reglement kan een vergoedingsverzoek alleen worden toegewezen - voorzover hier van belang - indien het ontslag is verleend met inachtneming van het gestelde in artikel 7 tot en met 11 van het Reglement.

Ingevolge artikel 6.2 van het Reglement wordt een vergoedingsverzoek afgewezen indien niet is voldaan aan het gestelde in artikel 4 van het Reglement, dat ziet op de inspanningsverplichting.

Ingevolge artikel 9, aanhef en onder h, van het Reglement kan ontslag op andere gronden dan de gronden genoemd in artikel 7, artikel 8 en artikel 9, onder a t/m g, onder i en onder j, van het Reglement grond voor toewijzing van een vergoedingsverzoek zijn.

Ingevolge artikel 10.1, aanhef en onder h, van het Reglement - voorzover hier van belang - doet toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in artikel 9, onder h, bedoelde ontslaggrond zich, onverminderd het gestelde in artikel 6.2 van het Reglement, voor indien het bevoegd gezag de onvermijdbaarheid van het ontslag aantoont.

In de toelichting op artikel 9, onder h, van het Reglement, die ingevolge artikel 27 van het Reglement integraal deel uitmaakt van het Reglement, staat onder meer dat onder de in dit artikellid bedoelde gronden niet valt het van rechtswege eindigen van een aanstelling, omdat er een reden dient te zijn waarom de overeenkomst niet wordt verlengd.

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft verweerster ten grondslag gelegd dat sprake is van beëindiging van het dienstverband in verband met het verstrijken van het benoemingstijdvak per 1 september 2000 en dat appellant de onvermijdbaarheid van dit ontslag, dat hij gemeld heeft als een ontslag op grond van artikel 9, onder h, van het Reglement niet heeft aangetoond, omdat het ontslag niet is veroorzaakt door omstandigheden die buiten zijn risicosfeer liggen.

2.3. Appellant stelt dat het besluit van verweerster een juiste grondslag ontbeert omdat het is gebaseerd op het “Reglement Participatiefonds Voortgezet Onderwijs schooljaar 2000-2001” terwijl het gebaseerd had moeten zijn op het “Reglement Participatiefonds Primair Onderwijs 2000-2001”. Dit betoog is juist. Nu echter de beide reglementen op de hier van belang zijnde punten gelijkluidend zijn, en appellant door het hanteren van de onjuiste wettelijke grondslag derhalve niet is benadeeld, kan vernietiging van het besluit op deze grond achterwege blijven.

Verder voert appellant aan dat verweerster in haar besluit ten onrechte een terminologie hanteert die zou wijzen op een ontslag, terwijl er sprake is van een beëindiging van een tijdelijk dienstverband. Ook deze grief slaagt niet. Immers, in artikel 1, onder 22, van het Reglement wordt het eindigen van een tijdelijk dienstverband gelijkgesteld aan een ontslag.

2.4. Het betoog van appellant dat verweerster had moeten onderzoeken of hij, door af te zien van een tussentijds ontslag per 1 juli 2000, wachtgeldaanspraken heeft laten ontstaan die zich anders niet, of althans niet in die mate, zouden hebben voorgedaan, treft geen doel. Of al dan niet sprake is van daadwerkelijke uitkeringskosten is – gelet op de in het Reglement opgenomen toetsingscriteria – geen aspect dat bij de beoordeling of eventuele kosten ten laste van verweerster kunnen worden gebracht, kan worden betrokken.

2.5. Tenslotte voert appellant aan dat verweerster met het oordeel dat niet kan worden gesteld dat het ontslag buiten zijn risicosfeer valt, een onjuist criterium heeft gehanteerd. Volgens appellant had verweerster slechts moeten beoordelen of hij zich voldoende heeft ingespannen om het ontslag te voorkomen.

Ook dit betoog faalt. Ingevolge de artikelen 6.1 en 6.2 van het Reglement moet eerst worden vastgesteld of een ontslag is verleend met inachtneming van de artikelen 7 tot en met 11 van het Reglement. Pas daarna dient te worden beoordeeld of is voldaan aan de inspanningsverplichting.

Terecht heeft verweerster vastgesteld dat een ontslag aan het einde van een tijdelijk dienstverband op zichzelf niet een ontslag is dat op grond van artikel 9, onder h, van het Reglement, gelezen in samenhang met artikel 10, onder h, als onvermijdbaar kan worden aangemerkt. De overige door appellant aangevoerde gronden van het ontslag hebben betrekking op een ontslag ingevolge artikel 9, onder a, of ingevolge artikel 9, onder e, van het Reglement. Appellant heeft het ontslag echter niet op een van deze gronden gemeld.

Onder deze omstandigheden heeft verweerster terecht vastgesteld dat het vergoedingsverzoek ingevolge artikel 6.1 van het Reglement niet kan worden toegewezen omdat het ontslag, nu appellant er zelf toe heeft besloten het te effectueren door het tijdelijke dienstverband niet te verlengen en te melden op grond van artikel 9, onder h, van het Reglement, binnen de risicosfeer van appellant valt.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2002

66-413.