Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2044

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
01-05-2002
Zaaknummer
200101559/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2002/1354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200101559/2.

Datum uitspraak: 1 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant], gevestigd te [plaats],

en

burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2000, kenmerk A06/0003 MD 2000, hebben verweerders krachtens het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld met betrekking tot een catering- en partyservicebedrijf, handelend onder de naam Park Plaza, op het perceel Rokin 78 te Amsterdam.

Bij besluit van 12 maart 2001, verzonden op dezelfde datum, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 30 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 januari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 13 juni 2001, aangevuld bij bericht gedateerd 27 augustus 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. drs. N. Habermehl en ing. P.A. Bentvelsen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat op de onderhavige inrichting het Besluit van toepassing is.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Besluit, gelezen in samenhang met voorschrift 4.1.4 van de daarbij behorende bijlage, voorzover hier van belang, kan het bevoegd gezag om te bereiken dat aan de geluidvoorschriften wordt voldaan, nadere eisen stellen ten aanzien van het aanbrengen van technische voorzieningen binnen de inrichtingen.

2.2. De nadere eisen – voorzover hier aan de orde – strekken er onder meer toe dat via de in de inrichting aanwezige muziekinstallaties alleen muziek ten gehore mag worden gebracht indien de eindversterkers zijn voorzien van een op een bepaald niveau afgeregelde en verzegelde geluidbegrenzer. Het niveau waarop de begrenzer moet worden afgeregeld is afhankelijk van resultaten van akoestisch onderzoek. Uit dit onderzoek moet blijken dat met het te installeren geluidniveau kan worden voldaan aan de geluidvoorschriften uit het Besluit. Daarnaast is in de nadere eisen bepaald dat een geluidisolatiemeting kan worden verlangd bij geluidklachten van derden.

2.3. Eerst ter zitting heeft appellante betoogd dat de nadere eis ten aanzien van de geluidbegrenzer geen ruimte laat voor het aanbrengen van een begrenzer die niet op de eindversterker is gesoldeerd. Het aanvoeren van deze grond in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellante deze niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde grond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.4. Appellante stelt dat het aanbrengen van een geluidbegrenzer onevenredig bezwarend is. Volgens haar weigeren de artiesten die doorgaans in de grote zaal optreden te spelen via een geluidbegrenzer. Daardoor zou het voor haar onmogelijk worden de inrichting op de door haar gewenste wijze te exploiteren. Gezien de ligging van de inrichting en het feit dat de inrichting reeds enige jaren in werking is, hadden verweerders moeten onderzoeken of het mogelijk is om eventuele geluidhinder op andere wijze te verminderen, zoals door het versoepelen van de geluidnormen. Bovendien, zo stelt appellante, staat het niet vast dat de geluidnormen uit het Besluit worden overtreden. Zij wijst er in dit verband op dat niet is vastgesteld of het muziekkarakter van het geluid hoorbaar is bij de geluidgevoelige objecten en dat de woning van waaruit in het verleden klachten zijn geuit thans deel uitmaakt van de inrichting.

Daarnaast heeft appellante bezwaar tegen de verplichting tot het uitvoeren van een isolatiemeting naar aanleiding van klachten van derden neergelegd in de nadere eis genoemd onder punt 8.

2.5. Verweerders staan op het standpunt dat het aanbrengen van een geluidbegrenzer in de inrichting noodzakelijk is om overschrijding van de geluidnormen uit het Besluit te voorkomen, omdat er woningen aanpandig gelegen zijn en de ervaring leert dat bij feesten en partijen, zoals door appellante beoogt, het equivalente geluidniveau in de inrichting meer bedraagt dan 70 dB(A), te weten tussen de 90 en 100 dB(A). Zij wijzen erop dat de nadere eis genoemd onder punt 4 het mogelijk maakt de begrenzer hoger af te regelen, indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bijvoorbeeld door het treffen van maatregelen ook bij een hoger equivalent geluidniveau in de inrichting aan de geluidvoorschriften kan worden voldaan. Verweerders hebben hierbij rekening gehouden met een straffactor voor muziekgeluid omdat het muziekgeluid hoorbaar is ter plaatse van de ontvanger.

2.6. De Afdeling stelt vast dat de gestelde nadere eisen geen betrekking hebben op de hoogte van de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden en dat de inrichting zich niet bevindt in een horecaconcentratiegebied als bedoeld in voorschrift 1.1.5. van de bijlage bij het Besluit. Hetgeen appellante omtrent de hoogte van de geluidnormen heeft aangevoerd kan derhalve in het kader van deze procedure niet aan de orde komen. Uitgegaan moet worden van de geluidgrenswaarden die ingevolge voorschrift 1.1.1. van de bijlage bij het Besluit op de inrichting van toepassing zijn.

2.7. Op verzoek van appellante zijn enkele akoestische onderzoeken naar de geluidisolatie uitgevoerd. Volgens het meest recente onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het akoestisch rapport van 4 december 2000, worden bij een geluidniveau door muziek in de inrichting hoger dan 95 dB(A) etmaalwaarde bij toepassing van de strafkorting voor muziekgeluid van 10 dB(A) de in het Besluit neergelegde geluidgrenswaarden overschreden. Deze uitkomst van het onderzoek wordt door partijen niet bestreden.

In hetgeen appellante dienaangaande heeft aangevoerd is onvoldoende aannemelijk geworden dat verweerders bij het bestreden besluit ten onrechte rekening hebben gehouden met de straffactor voor muziekgeluid. Hierbij heeft de Afdeling de hoogte van de isolatie-waarden zoals deze zijn berekend in het rapport van 4 december 2000 met inachtneming van het standaard popspectrum en de in de onderhavige situatie op grond van het Besluit toegestane immissieniveaus voor geluid in aanmerking genomen.

Gelet op het karakter van de door appellante gewenste activiteiten zullen deze in de avond- en nachtperiode gemakkelijk tot overschrijding van de geluidvoorschriften uit de bijlage van het Besluit kunnen leiden. Door appellante is weliswaar een geluidbegrenzer aangebracht, maar deze ziet niet op versterkers die worden gebruikt bij optredens met live-muziek. Dat bij dergelijke optredens ter waarschuwing een lamp gaat branden indien de beoogde etmaalwaarde wordt overschreden, is geen waarborg voor het voorkomen of onderbreken van een dergelijke overschrijding. Alle omstandigheden in aanmerking genomen hebben verweerders derhalve bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid het aanbrengen van geluidbegrenzers zoals voorgeschreven in de nadere eis van 25 april 2000 noodzakelijk kunnen achten.

Dit beroepsonderdeel treft geen doel.

2.8. Ten aanzien van het uitvoeren van een geluidisolatie-meting zoals opgenomen in punt 8 van de nadere eis in het besluit van 25 april 2000, overweegt de Afdeling als volgt. Een dergelijke eis kan niet worden gestoeld op voorschrift 4.1.4 van de Bijlage behorende bij het Besluit, omdat deze eis geen betrekking heeft op het aanbrengen van een technische voorziening of op de overige in dit voorschrift genoemde onderwerpen. Omdat verweerders op grond van dit voorschrift niet bevoegd waren een dergelijke eis aan appellante op te leggen en er evenmin een andere bepaling van het Besluit valt aan te wijzen waarop zij punt 8 van de nadere eis hadden kunnen doen steunen, is het beroep in zoverre gegrond. Voorzover dit onderdeel van het besluit van 25 april 2000 in het bestreden besluit is gehandhaafd dient dit te worden vernietigd.

2.9. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De kosten die appellante heeft aangevoerd in verband met een door een deskundige aan haar uitgebracht rapport komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze kosten niet zijn gemaakt in verband met de behandeling van het voorliggende beroep.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 12 maart 2001 voorzover het de gehandhaafde nadere eis genoemd onder punt 8 van het besluit van 25 april 2000 betreft;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt burgemeester en wethouders van Amsterdam in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 661,25, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Amsterdam te worden betaald aan appellante;

V. gelast dat de gemeente Amsterdam aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Plambeck

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2002

159-314.