Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE1166

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2002
Datum publicatie
08-04-2002
Zaaknummer
200200279/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 28
Vreemdelingenwet 2000 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 203 met annotatie van I. Sewandono
JV 2002/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200200279/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 11 januari 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 januari 2002, verzonden op 21 januari 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 januari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 januari 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevat het hoger-beroepschrift in aanvulling op de in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gestelde eisen, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop de indiener zich hiermee niet kan verenigen.

2.2. In de grieven I en II, bezien in onderlinge samenhang, betoogt appellant dat de voorzieningenrechter artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000 onjuist heeft toegepast, door zijn beroep ongegrond te verklaren, uitsluitend omdat hij bij binnenkomst geen documenten kon overleggen.

Dit betoog mist feitelijke grondslag, als gebaseerd op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak, en faalt reeds daarom.

2.3. Hetgeen appellant verder onder I heeft aangevoerd, bevat louter een herhaling van bij de voorzieningenrechter aangevoerde gronden, waarop deze heeft beslist. Dit is geen grief in de zin van artikel 85 van de Vw 2000.

Het aldus aangevoerde kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.4. Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de

Vw 2000, voorzover thans van belang, heeft de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, van rechtswege tot gevolg dat de verstrekkingen, voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt, worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijk voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn. De rechter betrekt bij de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag ook dit gevolg van dat besluit.

2.4.1. Grief III klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte het door appellant met betrekking tot het onthouden van opvang gestelde niet heeft betrokken in zijn oordeel.

2.4.2. De grief faalt. Bij de beslissing op het beroep van appellant moet de voorzieningenrechter, gelet op voormeld artikel 45 van de Vw 2000, geacht worden mede een oordeel te hebben gegeven over de op de opvang betrekking hebbende beroepsgronden. Er is geen grond om aan te nemen dat hij geen kennis heeft genomen van hetgeen hieromtrent namens appellant is aangevoerd. Hierin heeft hij kennelijk geen aanleiding gezien om tot een ander dan het uitgesproken oordeel te komen. Dat daaraan geen afzonderlijke overweging is gewijd, maakt dat niet anders.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Zegveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2002

43-359.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,