Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE1164

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2002
Datum publicatie
08-04-2002
Zaaknummer
200200351/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200200351/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 januari 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een herhaalde aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 januari 2002, verzonden op 14 januari 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 januari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 januari 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.J.T. de Kan, advocaat te Heythuysen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E. Brakke, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen. Als tolk was aanwezig mw. L. Hardi.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.2. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.

2.3. Het toetsingskader voor de rechter in deze wordt bepaald door voormeld artikel 4:6 van de Awb, mede bezien in verband met het bepaalde in voormeld artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Indien een bestuursorgaan na indiening van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot het oordeel komt dat daartoe geen termen zijn, kan niet door het instellen van beroep tegen dat besluit worden bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het gericht tegen het eerdere besluit. Het door appellant ingestelde beroep kon dan ook slechts leiden tot de beoordeling of de staatssecretaris zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat zich na het eerdere in rechte onaantastbare besluit van 8 juli 1999, waarbij hem, voor zover thans van belang, toelating als vluchteling werd geweigerd, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die tot heroverweging noopten.

2.3.1. De staatssecretaris kan bij de beoordeling van een herhaalde aanvraag toepassing geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, indien die aanvraag is gebaseerd op nieuwe documenten, waarmee wordt beoogd de aan de oorspronkelijke aanvraag ten grondslag gelegde stellingen alsnog aannemelijk te maken en die documenten bij de oorspronkelijke aanvraag hadden kunnen en derhalve ingevolge voormeld artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 hadden behoren te worden overgelegd.

2.4. Appellant heeft aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag gelegd dat hij nog steeds wordt gezocht door de Koerdische autoriteiten, die na zijn vertrek uit Irak bij zijn ouderlijke woning zijn langs geweest en een arrestatiebevel hebben uitgereikt. Ter ondersteuning van die stelling heeft hij een document, waarvan hij stelt dat het een arrestatiebevel is, gedateerd 4 januari 1998 en twee ongedateerde handgeschreven brieven van beweerdelijk zijn vader, onderscheidenlijk zijn broer overgelegd.

2.4.1. Ten aanzien van de brieven heeft de rechtbank terecht overwogen dat deze niet tot een vernietiging van de afwijzing van de asielaanvraag kunnen leiden, reeds omdat de vader en de broer niet als objectieve bron van informatie kunnen worden beschouwd en de van hen afkomstige brieven derhalve niet kunnen worden aangemerkt als feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

2.4.2. Het door appellant overgelegde, als arrestatiebevel aangemerkte, document dateert van voor de beslissing op bezwaar van 10 september 1998 ter zake van de eerste aanvraag. Niet valt in te zien dat appellant dit document niet in de loop van de eerdere, gedurende de jaren 1998-2001 gevoerde, procedure heeft kunnen en derhalve behoren over te leggen. Door appellant zijn geen concrete omstandigheden aangevoerd, op grond waarvan de staatssecretaris had moeten aannemen dat hij niet van de afgifte van dit document op de hoogte kon zijn. De stelling dat hij niet eerder bij zijn familie in Irak heeft geïnformeerd of zij in het bezit waren van documenten ter onderbouwing van zijn asielrelaas, omdat hij bang was hen problemen te bezorgen, is niet nader toegelicht en vindt in elk geval geen bevestiging in de voormelde door hem overgelegde brieven.

Reeds om deze reden kan het arrestatiebevel niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het oordeel van de rechtbank dat in zoverre sprake is van een novum is derhalve onjuist. Die onjuistheid kan appellant evenwel niet baten. De door hem voorgedragen grief, die uitgaat van de juistheid van dat oordeel, faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter,

en mr. M. Vlasblom en mr. T.M.A. Claessens, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Groeneweg

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2002

32-359.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,