Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE1087

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2002
Datum publicatie
05-04-2002
Zaaknummer
200103942/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Art. 4.1 Wet tegemoetkoming schade bij rampen en ongevallen noopt tot onderzoek naar oorzaak schade (zware regenval dan wel andere oorzaak).

2. Maatregelen ter bevordering van de waterafvoer behoren tot periodiek terugkerend onderhoud en vallen niet onder bereddingskosten.

Aanvraag om tegemoetkoming in lagere opbrengst van zomertarwe afgewezen.

Volgens de rechtbank heeft de Staatssecretaris zich met recht op het standpunt kunnen stellen dat reeds vóór de hevige regenval sprake was van omstandigheden die een rol van betekenis hebben gespeeld bij de lagere opbrengst van de zomertarwe, zodat geen sprake is van schade die het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van de extreme regenval van 13 en 14 september 1998. De rechtbank heeft echter miskend dat uit de woorden “voor zover” in de aanhef van art. 4.1 Wet tegemoetkoming schade bij rampen en ongevallen (verder: de Wet) volgt dat indien andere omstandigheden, náást de zware regenval van 13 en 14 september 1998, hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de schade een tegemoetkoming moet plaatsvinden voor zover de schade het gevolg is van de zware regenval. Daartoe zal moeten worden onderzocht in hoeverre de schade is veroorzaakt door de zware regenval van 13 en 14 september 1998 dan wel door andere oorzaken en zal de schade ten gevolge van de zware regenval naar rato moeten worden vastgesteld. Nu de Staatssecretaris geen normbedrag voor zomertarwe heeft willen vaststellen omdat er andere omstandigheden zijn die van invloed zijn geweest op de schade, zonder in te gaan op de vraag in hoeverre de schade mede is veroorzaakt door de zware regenval, ontbeert het besluit op bezwaar in strijd met art. 7:12.1 Awb in zoverre een deugdelijke motivering.

In de beslissing op bezwaar is ten aanzien van het betoog van appellant dat de kosten voor het plaatsen van de maaikorf moeten worden beschouwd als bereddingskosten terecht gesteld dat het bevorderen van de waterafvoer behoort tot het periodiek terugkerend onderhoud, dat dient te worden uitgevoerd ongeacht welke weersomstandigheden daaraan vooraf zijn gegaan. Daarnaast blijkt uit de wetsgeschiedenis dat onder bereddingskosten dienen te worden begrepen de kosten gemaakt ter voorkoming of beperking van de schade of de kosten op het moment dat de ramp zich heeft voltrokken of dreigt te gaan voltrekken (TK 1996-1997, 25 159, nr. 5, p. 24). Uit de stukken blijkt dat appellant de maaikorf niet heeft geplaatst in een dergelijke acute situatie. Het oordeel van de rechtbank dat deze kosten niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komen is juist.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninksrijksrelaties.

mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek

Wet tegemoetkoming schade bij rampen en ongevallen 4.1

Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2002, p. 57 (nr.1)
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State 200103942/1.

Datum uitspraak: 20 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, wonend te B,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage van 28 juni 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 1999 heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Staatssecretaris) de door appellant op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 (hierna: de Regeling) ingediende aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 1 december 2000 heeft de Staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 juni 2001, verzonden op 3 juli 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 30 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 augustus 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 november 2001 heeft de Staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L.P.A. Zwijnenberg, advocaat te Den Haag, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. S.A.N. Geerling, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en ongevallen (hierna: de Wet) heeft een gedupeerde recht op een tegemoetkoming in onder meer de volgende categorieën van schaden, voor zover de schade die hij heeft geleden, is ontstaan in het schadegebied en het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een overstroming door zoet water, een aardbeving dan wel een ramp of een zwaar ongeval waarop deze wet van toepassing is verklaard, alsmede in onder meer de volgende categorieën van kosten die daarmee verband houden:

(...)

e. de teeltschade, waaronder wordt verstaan het financieel verlies dat is geleden door een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht gedurende een bij ministeriële regeling te bepalen schadetermijn als gevolg van verlies of beschadiging van gewassen, waardoor een vermindering in kwantiteit of kwaliteit is ontstaan als gevolg van het niet tijdig kunnen uitvoeren van de voorgenomen teelt van gewassen;

(...)

i. de bereddingskosten per risico-adres, waaronder worden verstaan de kosten die de gedupeerde heeft gemaakt in verband met het treffen van maatregelen ter voorkoming of beperking van schade of kosten, voor zover verschuldigd aan derden of toe te rekenen aan arbeid in eigen beheer volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels;

De Wet is van toepassing verklaard op de schade en kosten die zijn ontstaan als gevolg van de extreem zware regenval op 13 en 14 september 1998.

2.2. Zoals in het hoger beroepschrift is uiteengezet, heeft het geschil betrekking op de vragen of de zomertarwe van appellant verloren is gegaan als gevolg van de extreem zware regenval van 13 en 14 september 1998 dan wel als gevolg van andere omstandigheden, in hoeverre de eerste vraag van belang is voor het al dan niet uitkeren van een vergoeding voor het wegzakken van de oogstmachine en of de kosten voor het aanbrengen van een maaikorf als bereddingskosten moeten worden beschouwd.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de Staatssecretaris zich met recht op het standpunt heeft kunnen stellen dat reeds vóór de hevige regenval sprake was van omstandigheden die een rol van betekenis hebben gespeeld bij de lagere opbrengst van de zomertarwe. De rechtbank heeft hieruit afgeleid dat geen sprake is van schade die het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van de extreme regenval van 13 en 14 september 1998.

De rechtbank heeft echter miskend dat uit de woorden “voor zover” in de aanhef van artikel 4, eerste lid, van de Wet volgt dat indien andere omstandigheden, náást de zware regenval van 13 en 14 september 1998, hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de schade een tegemoetkoming moet plaatsvinden voor zover de schade het gevolg is van de zware regenval. Daartoe zal moeten worden onderzocht in hoeverre de schade is veroorzaakt door de zware regenval van 13 en 14 september 1998 dan wel door andere oorzaken en zal de schade ten gevolge van de zware regenval naar rato moeten worden vastgesteld. Nu de Staatssecretaris geen normbedrag voor zomertarwe heeft willen vaststellen omdat er andere omstandigheden zijn die van invloed zijn geweest op de schade, zonder in te gaan op de vraag in hoeverre de schade mede is veroorzaakt door de zware regenval, ontbeert het besluit van 1 december 2000 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre een deugdelijke motivering.

2.4. Daargelaten of de kosten van het wegzakken van de oogstmachine tot een categorie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet behoren en zo ja welke, heeft de Staatssecretaris gelet op de aanhef van artikel 4, eerste lid, van de Wet de toekenning van een tegemoetkoming van die kosten terecht afhankelijk gesteld van de vraag of het oogstverlies van de zomertarwe op grond van artikel 4 van de Wet in aanmerking komt voor schadevergoeding omdat het wegzakken van de oogstmachine heeft plaatsgevonden bij het oogsten van de tarwe. Nu de afwijzing van een tegemoetkoming voor de schade aan de zomertarwe niet deugdelijk is gemotiveerd, gaat dit eveneens op voor de afwijzing van een tegemoetkoming voor de kosten van het wegzakken van de oogstmachine, hetgeen door de rechtbank niet is onderkend.

2.5. Ten aanzien van het betoog van appellant dat de kosten voor het plaatsen van de maaikorf moeten worden beschouwd als bereddingskosten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder i, van de Wet, overweegt de Afdeling dat de Staatssecretaris in de beslissing op bezwaar terecht heeft gesteld dat het bevorderen van de waterafvoer behoort tot het periodiek terugkerend onderhoud, dat dient te worden uitgevoerd ongeacht welke weersomstandigheden daaraan vooraf zijn gegaan. Daarnaast blijkt uit de wetsgeschiedenis dat onder bereddingskosten dienen te worden begrepen de kosten gemaakt ter voorkoming of beperking van de schade of de kosten op het moment dat de ramp zich heeft voltrokken of dreigt te gaan voltrekken (TK 1996-1997, 25 159, nr. 5, p. 24). Uit de stukken blijkt dat appellant de maaikorf niet heeft geplaatst in een dergelijke acute situatie. Het oordeel van de rechtbank dat deze kosten niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komen is juist.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient alsnog gegrond te worden verklaard. De bestreden beslissing op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.7. De Staatssecretaris dient op na te melden wijze in de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage van 28 juni 2001, AWB 00/12094 BESLU;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 december 2001, 99.2.0702;

V. veroordeelt de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 256,39) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schothorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Schothorst

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2002

229-408.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,