Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE1042

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-03-2002
Datum publicatie
05-04-2002
Zaaknummer
200101162/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansluitplicht bij controle-orgaan is niet in strijd met bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrije verkeer.

Tuchtbeschikking van de Tuchtrechtcommissie van de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor Groente- en Bloemzaden NAKG waarbij aan appellant sub 1 een geldboete is opgelegd in verband met inbreuk op art. 1 Aansluitingsbesluit NAKG, omdat hij niet was geregistreerd als instandhouder van het slaras M.

Voor zover appellant sub 1 - onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 26 februari 1980 (zaak 94/79, Vriend, Jurispr. 1980, blz. 327) en 7 februari 1984 (zaak 237/82, Jongeneel, Jurispr. 1984, blz. 483) - heeft beoogd een beroep te doen op het vrije verkeer, in het bijzonder de artikelen 28 en 29 van het EG-Verdrag, stelt de Afdeling vast dat ten aanzien van de productie van teeltmateriaal geen marktordening op grond van art. 37 van het EG-Verdrag tot stand is gekomen. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft overwogen in het arrest in voormelde zaak 237/82, belet het vrije verkeer van goederen in een dergelijk geval de lidstaten niet om regels op het gebied van de kwaliteit van de productie aan te nemen. In verband daarmee mogen de lidstaten de producenten verplichten tot aansluiting bij een controleorgaan, mits de doelstellingen van dat controleorgaan met het vrije verkeer verenigbaar zijn en een dergelijke aansluitplicht noodzakelijk is om de naleving van de desbetreffende nationale voorschriften te verzekeren. Appellant sub 1 heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat aan laatstbedoelde voorwaarden niet is voldaan.

1. A te B,

2. de Raad van Beroep Naktuinbouw, appellanten.

mrs. P. van Dijk, J.A.W. Scholten-Hinloopen, W. van den Brink

EG-Verdrag 28, 29

Aansluitingsbesluit NAKG 1

Algemeen reglement Groentezaden NAKG 5

Uitvoeringsvoorschriften Groentezaden NAKG 1-3, 6-12

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200101162/1.

Datum uitspraak: 13 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. A, h.o.d.n. A Seeds, wonend te B,

2. de Raad van Beroep Naktuinbouw,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 12 januari 2001 in het geding tussen:

appellant sub 1

en

appellant sub 2.

1. Procesverloop

Bij tuchtbeschikking van 26 maart 1998 heeft de Tuchtrechtcommissie van de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor Groente- en Bloemzaden NAKG (hierna: de tuchtrechtcommissie) aan appellant sub 1 (hierna: A) een geldboete opgelegd van f 5.000,-, alsmede een voorwaardelijke geldboete van f 5.000,- met een proeftijd van een jaar.

Bij besluit van 27 juli 1998 heeft de Raad van Beroep van de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor Groente- en Bloemzaden (thans: appellant sub 2, hierna: de Raad van Beroep) het door A daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 januari 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het door A daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover het ziet op handhaving door de Raad van Beroep van het onder a) en c) bewezenverklaarde in de tuchtbeschikking, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, en de Raad van Beroep bevolen om in het bijzonder de aan A opgelegde sanctie te heroverwegen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellant sub 1 bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2001, en appellant sub 2 bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 juli 2001 heeft A een memorie ingediend.

Bij brief van 30 juli 2001 heeft de Raad van Beroep een memorie ingediend.

Bij brief van 25 augustus 2001 heeft A van repliek gediend.

Bij brief van 11 september 2001 heeft de Raad van Beroep van dupliek gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van A. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2001, waar A in persoon, bijgestaan door mr. A.Q.C. Tak, gemachtigde, en de Raad van Beroep, vertegenwoordigd door mr. E. Steyger, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De tuchtrechtcommissie heeft bij het primaire besluit bewezen verklaard dat A:

a. met het doen vermeerderen van zaad van het slaras Maestro door Waconda Seed Company inbreuk heeft gemaakt op artikel 1 van het Aansluitingsbesluit NAKG (hierna: het aansluitingsbesluit) in samenhang met artikel 5 van het Algemeen reglement Groentezaden NAKG (hierna: het reglement) en de artikelen 1 tot en met 3 en 6 tot en met 12 van de Uitvoeringsvoorschriften Groentezaden NAKG (hierna: de uitvoeringsvoorschriften), omdat hij niet was geregistreerd als instandhouder van het slaras Maestro,

b. met het in het verkeer brengen van zaad van het slaras Maestro inbreuk heeft gemaakt op artikel 4, eerste lid, van het reglement, omdat de vermeerdering van zaden niet is geschied volgens de regelen die gelden voor de productie van standaardzaad, zoals neergelegd in de artikelen 6 tot en met 12 van de uitvoeringsvoorschriften,

c. door zelf inbreuk te maken op het communautair kwekersrecht dat rust op meergenoemd slaras en dat door een ander te laten doen, in strijd heeft gehandeld met artikel 7, tweede lid, van de Statuten van de NAKG.

2.2. De Raad van Beroep heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij de tuchtbeschikking, voorzover daarin bewezen is verklaard hetgeen onder a) en b) is ten laste gelegd, kan overnemen en dat de deels voorwaardelijk opgelegde boete, gezien de aard en ernst van de overtreding, zijnde deels een herhaling van de overtreding waarvoor A reeds in 1996 is veroordeeld, gerechtvaardigd is. Voorts overweegt de Raad van Beroep dat hij op de overtreding van artikel 7, tweede lid, van de Statuten, waarvoor overigens geen straf is opgelegd, niet ingaat, nu het kwekersrecht voor Maestro inmiddels nietig is verklaard en het onder c) aan appellant ten laste gelegde als vervallen kan worden beschouwd.

2.3. De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank zich terecht bevoegd heeft geacht om kennis te nemen van het beroep van A tegen de beslissing van de Raad van Beroep. Zoals eerder overwogen (uitspraak van de Afdeling van 18 juni 1998, AB 1999, 116) [url('ZF3385',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=32795)] is dit orgaan aan te merken als een bestuursorgaan en zijn voorts diens beslissingen op een beroep als hier aan de orde publiekrechtelijke rechtshandelingen, zodat sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.4. De Raad van Beroep betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet in redelijkheid tot handhaving van het bewezenverklaarde onder c) heeft kunnen komen, omdat de feitelijke grondslag daarvoor is komen te vervallen door de nietigverklaring van het aan een concurrent van A verleende communautair kwekersrecht voor het slaras Maestro. Dit betoog slaagt. Dit onderdeel van de aangevallen uitspraak berust op een onjuiste lezing van het bestreden besluit, waarin juist door de Raad van Beroep uitdrukkelijk is overwogen dat het in primo onder c) bewezenverklaarde als vervallen kan worden beschouwd. Het moet er gelet daarop voor worden gehouden dat het primaire besluit in zoverre bij het bestreden besluit niet is gehandhaafd.

2.5. De Raad van Beroep betoogt voorts dat er geen grond is voor het oordeel van de rechtbank dat hij niet heeft kunnen komen tot handhaving van het in primo onder a) bewezenverklaarde, omdat tuchtrechtelijke afdoening van overtreding van artikel 1 van het Aansluitingsbesluit NAKG in strijd is met artikel 5 van de Wet op de economische delicten (hierna: de WED). Dit betoog slaagt eveneens. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, is A niet tuchtrechtelijk bestraft voor overtreding van artikel 1, voornoemd. Deze bepaling bevat een aansluitplicht voor hen die bedrijfsmatig teeltmateriaal van nader genoemde gewassen voortbrengen, bewaren en bewerken, welke aansluiting voorwaarde is voor onderworpenheid aan het tuchtrecht. Zij is, zo verstaat de Afdeling het primaire besluit, slechts ter verduidelijking van het wettelijk kader daarin opgenomen.

2.6. Nu van de door de rechtbank geconstateerde strijd met artikel 5 van de WED geen sprake is, gaat de Afdeling vervolgens in op het betoog van A dat de Raad van Beroep ook anderszins niet heeft kunnen komen tot handhaving van het onder a) bewezenverklaarde. Dit betoog faalt. De in zoverre aan de tuchtrechtelijke sanctie ten grondslag gelegde feiten worden door A niet bestreden. Zoals terecht door de rechtbank in dit verband is overwogen, heeft de Raad van Beroep ervan kunnen uitgaan dat het niet goed verlopen van de interne communicatie bij de NAKG bij de behandeling van As verzoek om registratie als instandhouder van het slaras Maestro, niet betekent dat hij bij het uitblijven van het registratiebericht mocht handelen alsof registratie wel had plaatsgevonden. Van schending van in de Awb neergelegde vormvoorschriften is geen sprake. Ook het betoog van A dat het aansluitingsbesluit, het reglement en de uitvoeringsvoorschriften in strijd zijn met de ZPW treft geen doel. Voor zover A - onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 26 februari 1980 (zaak 94/79, Vriend, Jurispr. 1980, blz. 327) en 7 februari 1984 (zaak 237/82, Jongeneel, Jurispr. 1984, blz. 483) - heeft beoogd een beroep te doen op het vrije verkeer, in het bijzonder de artikelen 28 en 29 van het EG-Verdrag, stelt de Afdeling vast dat ten aanzien van de productie van teeltmateriaal geen marktordening op grond van artikel 37 van het EG-Verdrag tot stand is gekomen. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft overwogen in het arrest in voormelde zaak 237/82, belet het vrije verkeer van goederen in een dergelijk geval de lidstaten niet om regels op het gebied van de kwaliteit van de productie aan te nemen. In verband daarmee mogen de lidstaten de producenten verplichten tot aansluiting bij een controleorgaan, mits de doelstellingen van dat controleorgaan met het vrije verkeer verenigbaar zijn en een dergelijke aansluitplicht noodzakelijk is om de naleving van de desbetreffende nationale voorschriften te verzekeren. A heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat aan laatstbedoelde voorwaarden niet is voldaan. Dergelijke feiten of omstandigheden zijn ook overigens niet aan de Afdeling gebleken.

2.7. Het betoog van A in hoger beroep kan voorts, mede gelet op het hiervoor overwogene en in aanmerking genomen dat ook de in zoverre aan de tuchtrechtelijke sanctie ten grondslag gelegde feiten door A niet worden bestreden, niet leiden tot het oordeel dat de Raad van Beroep zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in de tuchtbeschikking onder b) omschreven feiten bewezen zijn en tot oplegging van een tuchtrechtelijke sanctie aanleiding mochten geven.

2.8. Ten aanzien van de aan A opgelegde tuchtrechtelijke sanctie dient te worden geoordeeld dat, in aanmerking genomen de feiten en omstandigheden die uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren zijn gekomen, er geen grond is voor het oordeel dat de zwaarte van de maatregel die in dit geval is opgelegd onevenredig is in verhouding tot de aard en de ernst van de overtreding. De Raad van Beroep heeft in aanmerking mogen nemen dat sprake is van een herhaalde overtreding. Nu voor het bewezenverklaarde onder c) door de tuchtrechtcommissie geen straf is opgelegd, heeft het vervallen daarvan de Raad van Beroep geen aanleiding hoeven geven voor een heroverweging van de opgelegde sanctie.

2.9. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van de Raad van Beroep gegrond is. Het hoger beroep van A is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover door de Raad van Beroep aangevallen. De Afdeling zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep bij de rechtbank in zoverre ongegrond verklaren. Voor het overige komt de aangevallen uitspraak in aanmerking om te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de Raad van Beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 12 januari 2001, AWB 98/600, voor zover daarbij het beroep gegrond is verklaard, het bestreden besluit is vernietigd, de Raad van Beroep is bevolen in het bijzonder de opgelegde sanctie te heroverwegen, is gelast griffierecht te vergoeden en een proceskostenveroordeling is uitgesproken;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre ongegrond;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2002

91.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,