Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE0730

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-03-2002
Datum publicatie
27-03-2002
Zaaknummer
200000169/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 186K
Module Ruimtelijke ordening 2002/4274
Module Horeca 2002/729
OGR-Updates.nl 1000429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200000169/1.

Datum uitspraak: 27 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant], wonend te [woonplaats],

2. [appellant] en [appellant], wonend te [woonplaats],

3. [appellant], wonend te [woonplaats],

4. [appellant], wonend te [woonplaats],

5. [appellant] en [appellant], wonend te [woonplaats],

6. [appellant] en [appellant], wonend te [woonplaats],

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

“Hoogendoorn B.V.”, gevestigd te Houten,

8. de Minister van Verkeer en Waterstaat,

9. [appellant] en [appellant], wonend te

[woonplaats],

10. de vennootschap onder firma, handelend onder de naam “Agrarisch

Technisch Houten v.o.f.”, gevestigd te Houten, waarvan de vennoten

zijn H. Scheltens en E.W. Scheltens,

11. [appellant], wonend te [woonplaats], en

12. [appellant] en [appellant], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 1999 heeft de gemeenteraad van Houten, op voorstel van burgemeester en wethouders van 20 april 1999, vastgesteld het bestemmingsplan “Globaal Bestemmingsplan Houten-Vinex”.

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 7 december 1999, kenmerk 1999REG3734i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

Deze beroepschriften zijn aangehecht.

Verweerders hebben geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 13 augustus 2001.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen.

Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen.

Appellant Van Oostrom is niet verschenen.

Ook verweerders en de gemeenteraad van Houten hebben zich doen vertegenwoordigen.

Tevens is als partij gehoord A.C.J. Sturkenboom, wonend te Houten.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op het gebied ten zuiden van de kern Houten en ten noorden van het Amsterdam-Rijnkanaal. Het is globaal van opzet en voorziet onder meer in de realisering van een woongebied met ongeveer 6750 woningen met winkels en andere voorzieningen, van enkele bedrijventerreinen met een totale omvang van ongeveer 60 hectare en van een ecologische-/agrarische zone.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan goedgekeurd.

2.3. Ontvankelijkheid

2.3.1. In het stelsel, neergelegd in artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, tweede lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp?plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze en in een tegen het vastgestelde plan bij gedeputeerde staten ingebrachte bedenking.

Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, of voorzover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze en een bedenking in te brengen.

2.3.2. [Appellanten] hebben aangegeven mede namens zes broers en zussen, te weten [appellanten], beroep in te stellen tegen het besluit van verweerders.

Deze personen hebben echter tegen het ontwerp-plan geen zienswijze ingebracht bij de gemeenteraad.

Gesteld noch gebleken is dat zij daartoe redelijkerwijs niet in staat zijn geweest.

Het beroep heeft geen betrekking op de bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijzigingen en is niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring.

Het beroep van [appellanten], voor zover mede ingesteld namens [appellanten], is dan ook niet-ontvankelijk.

2.3.3. De beroepsgrond van appellant Vernooij gericht tegen de bestemming “Bedrijfsdoeleinden (art. 11 W.R.O.)” met de aanduiding “bedrijfsdoeleinden I” op een gedeelte van zijn gronden tussen de Houtense Wetering en het Amsterdam-Rijnkanaal, steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Gesteld noch gebleken is dat appellant Vernooij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen.

Het beroep heeft geen betrekking op de bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijzigingen en is niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring.

Het beroep van appellant Vernooij is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.3.4. De beroepsgrond van [appellant] gericht tegen de bestemming “Woongebied (art. 11 W.R.O.)” met de aanduiding “voorzieningengebied” in het gebied Schoneveld, steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Gesteld noch gebleken is dat [appellant] redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen.

Het beroep heeft geen betrekking op de bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijzigingen en is niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring.

Het beroep van [appellant] in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.3.5. De beroepsgrond van [appellanten] gericht tegen artikel 25, tweede lid, van de voorschriften, steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Gesteld noch gebleken is dat [appellanten] redelijkerwijs niet in staat zijn geweest terzake een zienswijze in te brengen.

Het beroep heeft geen betrekking op de bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijzigingen en is niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring.

Het beroep van [appellanten] is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.4. Toetsingskader

2.4.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijk Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.5. Situering van de bedrijvenlocatie BARK (Boven Amsterdam- Rijnkanaal)

2.5.1. Appellanten Sturkenboom hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de bestemming “Bedrijfsdoeleinden (art. 11 W.R.O.)” met de aanduiding

“bedrijfsdoeleinden I” op een groot gedeelte van hun gronden tussen de Houtense Wetering en het Amsterdam-Rijnkanaal. Zij vrezen een gedwongen stopzetting van hun agrarische bedrijf in de huidige vorm als gevolg van deze bestemming.

2.5.2. De gemeenteraad heeft aan de in geding zijnde gronden de bestemming “Bedrijfsdoeleinden (art. 11 W.R.O.)” met de aanduiding “bedrijfsdoeleinden I” toegekend, aangezien de gemeente Houten onder meer tot taak heeft een bedrijventerrein van ongeveer 50 hectare te ontwikkelen in het gebied tussen de kern Houten en het Amsterdam-Rijnkanaal. Nu de ontwikkeling van de bedrijvenlocatie BARK de voortzetting van de agrarische bedrijfsvoering in de huidige vorm door appellanten Sturkenboom aldaar onmogelijk maakt, streeft de gemeenteraad naar verwerving van hun gronden.

2.5.3. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij hebben overwogen dat in het regionaal structuurplan “Een RSP voor de tien” van het Bestuur Regio Utrecht de bedrijvenlocatie BARK is opgenomen en dat zij in hun goedkeuringsbesluit inzake dit regionaal structuurplan het grote tekort aan bedrijfsterreinen in het stadsgewest Utrecht hebben erkend.

2.5.4. Gesteld noch gebleken is dat het plan op dit onderdeel niet in overeenstemming is met het streekplan en met het regionaal structuurplan. Bovendien is de noodzaak van een nieuw bedrijventerrein onbestreden. Het huidige, agrarische gebruik van de gronden is niet inpasbaar binnen de bestreden bestemming. Verweerders hebben bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij het voorzien in de regionale behoefte aan een nieuw bedrijventerrein dan aan het belang van appellanten bij voortzetting van hun bedrijf in de huidige omvang. Voorts streeft het gemeentebestuur naar verwerving van de gronden.

Verweerders hebben zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellanten] in zoverre ongegrond.

2.6. Situering van een ecologische zone langs het Amsterdam-Rijnkanaal

2.6.1. [Appellanten] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de bestemming “Landschappelijk en natuurwetenschappelijk waardevol gebied” op hun gronden tussen de Houtense Wetering en het Amsterdam-Rijnkanaal. [Appellanten] vrezen een gedwongen stopzetting van hun agrarische bedrijf in de huidige vorm als gevolg van deze bestemming. [Appellanten] stellen voorts dat de voorschriften bij deze bestemming in strijd zijn met artikel 10, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, maar in elk geval onduidelijk geformuleerd zijn. Volgens appellant Vernooij zijn diezelfde voorschriften onnodig beperkend voor zijn (toekomstige) agrarische bedrijfsvoering. [Appellanten] wensen dat hun perceel wordt bestemd voor “Bedrijfsdoeleinden”.

2.6.2. De gemeenteraad heeft aan de in geding zijnde gronden de bestemming “Landschappelijk en natuurwetenschappelijk waardevol gebied” toegekend, aangezien deze gronden zowel gaan dienen als een landschappelijk overgangsgebied tussen de bedrijvenlocatie BARK en het open weidegebied ten zuiden van het Amsterdam-Rijnkanaal, als bedoeld zijn voor een ecologische verbinding tussen het Kromme Rijngebied ten oosten van Houten en het gebied Laagraven aan de westkant. Het aldus ontstane, grote aaneengesloten gebied, dient volgens de gemeenteraad te gaan fungeren als een ecologische zone. Een agrarisch gebruik gebaseerd op de biologische productiemethode acht de gemeenteraad een daarbij passende methode van beheer. De voorschriften zijn opgesteld aan de hand van de normen van de Stichting Keurmerk Alternatieve Landbouwproductie. Hetgeen appellanten Wieman en Puijk wensen, acht de gemeenteraad daar niet passend.

2.6.3. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat op grond van het regionaal structuurplan de gemeente Houten de taak heeft een ecologische zone te ontwikkelen ten zuiden van Houten. Bovendien draagt volgens verweerders een ecologische zone langs het Amsterdam-Rijnkanaal bij aan een verbetering van het stedelijk gebied. Voorts zijn zij van mening dat aan de voorschriften planologische motieven ten grondslag liggen, namelijk de bevordering en de ontwikkeling van de landschappelijk en natuurwetenschappelijke waarden van het gebied, en dat geen regulering van de structuur van agrarische bedrijven nagestreefd wordt. De door [appellanten] gewenste bestemming, achten verweerders in strijd met het regionaal structuurplan.

2.6.4. Gronden aangewezen voor landschappelijk en natuurwetenschappelijk waardevol gebied zijn ingevolge artikel 11, eerste lid, van de voorschriften onder meer bestemd voor:

- het behoud en herstel van de landschappelijke en natuurwetenschappelijke

waarden;

- een dierenpension met een oppervlakte van maximaal 5000 m2 ter plaatse

waar op de plankaart de desbetreffende aanduiding voorkomt (....);

- agrarische bedrijfsdoeleinden in de vorm van agrarische bedrijfsactiviteiten

gebaseerd op de biologische productiemethode (.....);

Onder biologische productiemethode wordt ingevolge artikel 1, sub cc., van de voorschriften een duurzame productiemethode verstaan, gebaseerd op:

- het produceren van voedingsmiddelen, die voedingsfysiologisch

hoogwaardig zijn, in een voldoende hoeveelheid, zonder residuen van

stoffen die de gezondheid van mens en dier kunnen schaden;

- het behoud of herstel van een optimale bodemvruchtbaarheid;

- het behoud of herstel van natuur en landschap;

- het behoud van de genetische diversiteit;

- het vermijden van handelingen die het milieu belasten of tot verarming

daarvan bijdragen;

- een minimaal gebruik van eindige grondstoffen;

- een veelzijdige bedrijfsstructuur met een zoveel mogelijk gesloten

kringloopsysteem;

- het houden van landbouwhuisdieren op een zodanige wijze dat deze hun

belangrijkste soorteigen gedragingen kunnen uiten.

2.6.5. Gesteld noch gebleken is dat het plan op dit onderdeel niet in overeenstemming is met het streekplan of met het regionaal structuurplan. De Afdeling acht het standpunt van verweerders dat een ecologische zone langs het Amsterdam-Rijnkanaal bijdraagt aan een verbetering van het stedelijk gebied en tevens een toekomstige uitbreiding van de bedrijvenlocatie BARK verhindert, niet onredelijk.

De Afdeling volgt [appellanten] niet in hun stelling dat de doeleindenomschrijving onduidelijk geformuleerd is. Deze is op zichzelf duidelijk en laat onverlet dat met dit voorschrift beoogd is gunstige voorwaarden te scheppen voor het ontstaan van landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden. Niet is gebleken dat, mede door een aangepast agrarisch gebruik van de gronden, met deze bestemming geen ecologische zone kan worden gerealiseerd.

2.6.5.1. De voorschriften omtrent dat aangepast agrarisch gebruik leveren naar het oordeel van de Afdeling geen strijd op met artikel 10, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Met dit wetsartikel wordt, blijkens de geschiedenis van de totstandkoming ervan, beoogd te voorkomen dat via bestemmingsplannen structuurbeleid wordt gevoerd met betrekking tot agrarische bedrijven. In dat kader komt als voornaamste reden voor de tweede volzin naar voren het tegengaan van het opnemen in een bestemmingsplan van een vestigingsregeling aangaande de bedrijfsgrootte. Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis dat het bedoelde artikelgedeelte onverlet laat de regulering via bestemmingsplannen van de vorm van bodemcultuur en van de soort agrarische bedrijven.

In de omschrijving van het begrip “biologische productiemethode” in

artikel 1, sub cc., van de voorschriften worden naar het oordeel van de Afdeling geen eisen in het plan opgenomen met betrekking tot de structuur van agrarische bedrijven, maar worden de vorm van bodemcultuur en soort van agrarische bedrijven gereguleerd.

Voorts is de Afdeling, in navolging van het deskundigenbericht, van oordeel dat een agrarische productiewijze als in dit artikel voorgeschreven een positieve invloed op de kwaliteit van bodem en grondwater heeft en daarmee op de (mogelijkheden voor) ontwikkeling van natuurwaarden.

2.6.5.2. Het standpunt van verweerders dat een bedrijfsbestemming voor het perceel van [appellanten] niet past binnen de ontwikkeling van de omliggende gronden als ecologische zone, acht de Afdeling eveneens niet onredelijk. De omstandigheid dat verweerders het op het naburige perceel aanwezige dierenpension wel passend hebben geacht, brengt de Afdeling niet tot een ander oordeel. Uit het deskundigenbericht blijkt overigens dat het dierenpension op die locatie het functioneren van de ecologische zone niet onmogelijk maakt.

2.6.5.3. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant] in zijn geheel, het beroep van [appellanten] is in zoverre en het beroep van [appellanten] is in zijn geheel ongegrond.

2.7. Versnelde planverwerkelijking

2.7.1. [Appellanten] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voorzover daarin aan hun gronden tussen de Houtense Wetering en het Amsterdam-Rijnkanaal een aanwijzing als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is toegekend. Zij betogen dat de noodzaak voor spoedige verwerkelijking van de bestemming “Bedrijfsdoeleinden (art. 11 W.R.O.)” met de aanduiding “bedrijfsdoeleinden I” dan wel de bestemming “Landschappelijk en natuurwetenschappelijk waardevol gebied” niet is aangetoond. Ter zitting hebben [appellanten] gesteld dat zij bereid zijn beide bestemmingen zelf te realiseren en dat deze zelfrealisatie aan de toepassing van genoemd artikellid in de weg staat.

2.7.2. De gemeenteraad heeft de bestreden aanwijzing toegekend opdat zo snel mogelijk een goede ontsluitingsweg voor de bedrijvenlocatie BARK kan worden aangelegd. Deze ontsluitingsweg doorsnijdt twintig percelen, waaronder die van [appellanten] Om te voorkomen dat op de resterende, versnipperde gronden langs het Amsterdam-Rijnkanaal semi-agrarische bedrijvigheid ontstaat die de ontwikkeling van de ecologische zone zou kunnen bemoeilijken, wil de gemeenteraad ook deze ecologische zone versneld aanleggen.

2.7.3. Verweerders stemmen met dit standpunt van de gemeenteraad in.

2.7.4. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders het niet aanvaardbaar hebben kunnen achten dat de gemeenteraad ten aanzien van de in geding zijnde plandelen toepassing heeft gegeven aan artikel 13, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

De noodzaak van de versnelde aanleg van de bedrijvenlocatie BARK en daarmee van infrastructuur ten behoeve van een goede verkeersafwikkeling, blijkt voldoende uit het streekplan en uit het regionaal structuurplan. Nu bovendien de huidige verkaveling van de desbetreffende percelen haaks op de ontwikkelingsrichting van de in geding zijnde bestemmingen staat, is het voorts niet onaannemelijk dat op de resterende, versnipperde gronden activiteiten kunnen ontstaan die de aanleg van de ecologische zone, waaronder de in het plan voorziene vestiging van een agrarisch bedrijf gebaseerd op de biologische productiemethode, zal bemoeilijken. Voorts behoeft een bestaand gebruik overeenkomstig de bestemming niet in de weg te staan aan de aanwijzing indien, zoals in dit geval bij de bestemming “Landschappelijk en natuurwetenschappelijk waardevol gebied”, met deze bestemming weliswaar een vergelijkbaar, maar beter of extensiever gebruik van de gronden wordt beoogd.

Voor zover [appellanten] hebben aangevoerd dat zij bereid en in staat zijn de ter plaatse toegekende bestemmingen zelf te realiseren, overweegt de Afdeling dat die bereidheid niet in het kader van deze procedure ter beoordeling staat.

In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellanten] is in zoverre ongegrond.

2.8. Bestemmingen in dan wel nabij de toekomstige Vijfwal

2.8.1. [Appellant], [appellant] en [appellanten] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan artikel 4, eerste en derde lid, onder d, van de voorschriften. Zij vrezen verkeers- en geluidsoverlast in hun woonomgeving, aangezien nabij de Vijfwal twee horecavestigingen in de lichte en middelzware categorie toegestaan zijn.

[Appellant] heeft voorts betoogd dat geen enkele vorm van horeca dient te worden toegestaan.

2.8.2. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan ingestemd met de mogelijkheid dat binnen de bestemming “Woongebied (art. 11 W.R.O.)” twee horecavestigingen worden gerealiseerd nabij de Vijfwal, met een omvang van maximaal 600 m2 per vestiging. Een incidentele horecavestiging kan volgens de gemeenteraad bijdragen aan de aantrekkelijkheid en de levendigheid van de Vijfwal, waaraan in het plan een recreatieve betekenis is toegekend. Zich daarbij baserend op de VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van juli 1992, acht de gemeenteraad de kans op overlast voor de woonomgeving voldoende beperkt, omdat bepaald is dat ten hoogste 50% van het oppervlak in de middelzware categorie mag worden gerealiseerd.

2.8.3. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat zeker in een woongebied met de in dit plan voorgestane uitstraling diversiteit en functiemenging wenselijk is. Gezien de omvang van het woongebied achten zij de toegestane horecavestigingen wat betreft omvang en zwaarte op twee plekken nabij de Vijfwal aanvaardbaar. Verweerders gaan ervan uit dat bij de uitwerking van de bestemming “Woongebied (art. 11 W.R.O.)” en de inrichting van het gebied rekening wordt gehouden met de effecten op de woonomgeving.

2.8.4. Gronden aangewezen voor woongebied (art. 11 W.R.O.) zijn ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften onder meer bestemd voor:

- woondoeleinden in de vorm van één- en meergezinshuizen (…..);

- horecadoeleinden in de vorm van lichte en middelzware horeca (…..).

Ingevolge artikel 4, derde lid, aanhef en onder sub d., van de voorschriften moeten burgemeester en wethouders het tot woongebied (art. 11 W.R.O.) bestemde gedeelte van het plan uitwerken met in achtneming van - voor zover hier van belang - de navolgende regels:

- ten aanzien van horecadoeleinden mogen binnen de bestemming

woongebied uitsluitend vormen van lichte horeca worden gerealiseerd met

een oppervlakte per vestiging van ten hoogste 200 m2;

- ten hoogste 2 horecavestigingen in de vorm van lichte en middelzware

horeca mogen worden gerealiseerd met een oppervlakte van ten hoogste

600 m2 per vestiging, met dien verstande dat deze vestigingen slechts

mogen worden gerealiseerd op een afstand van maximaal 100 meter,

gemeten uit de kant van de Vijfwal, dat van de oppervlakte per vestiging

tenminste 50% in de vorm van lichte horeca dient te worden gerealiseerd

en dat van de oppervlakte per vestiging ten hoogste 50% in de vorm van

middelzware horeca mag worden gerealiseerd.

Uit de begripsomschrijving in artikel 1, sub v., van de voorschriften blijkt dat onder vormen van lichte horeca vestigingen worden verstaan die in beginsel alleen overdag en ‘s-avonds geopend zijn. Daaronder vallen bijvoorbeeld cafetaria’s, snackbars, restaurants en hotels. Onder middelzware horeca verstaat dit artikellid onder meer café’s, bars en zalenverhuur, die ook

‘s-nachts geopend zijn.

2.8.4.1. De in het plan voorziene Vijfwal is een verhoogd aan te leggen groenstrook van ongeveer 40 meter breed, gebaseerd op bestaande kavelstructuren. Die wal is bedoeld als scheiding tussen het intensief bebouwde, meer stedelijke gebied rond het nieuwe wijkcentrum, het Castellum, en het minder intensief bebouwde gebied hier omheen. De Vijfwal zal worden gerealiseerd als een lage dijk van enkele meters hoog met bomen en begeleidende (fiets)paden en moet gaan functioneren als een wandelboulevard. Daarmee zal een gebied van meer dan 150 hectare omsloten worden, dat in hoofdzaak is bestemd tot “Woongebied (art. 11 W.R.O.)”. In de plantoelichting is vermeld dat naast de functie wonen onder andere de functie horeca tot de functies van dit woongebied behoort.

2.8.4.2. Bij de afweging of inpassing van de toegestane vormen van horeca op voldoende zorgvuldige wijze kan plaatsvinden ten opzichte van de omliggende, bestaande en nieuw te bouwen woningen, heeft de gemeenteraad de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” van juli 1992 als uitgangspunt genomen.

Blijkens het bestreden besluit hebben verweerders het aanvaardbaar geacht dat de VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van juli 1992 als centraal instrument is gebruikt om de bedrijfsactiviteiten, waaronder die van de horeca, te reguleren in het plan.

De Afdeling stelt vast dat in januari 1999 een geactualiseerde versie van de VNG-publicatie is verschenen. Deze nieuwe publicatie was niet alleen ten tijde van de vaststelling van het plan, maar ook op het moment van goedkeuring daarvan, beschikbaar.

Verweerders hebben – in navolging van de gemeenteraad – niet onderkend dat de VNG-publicatie van januari 1999 de meest recente inzichten bevat, zij het dat ook de afstanden die daarin worden genoemd slechts indicatief van aard zijn.

Voor vestigingen van lichte horeca, zoals bedoeld in artikel 1, sub v., van de voorschriften, bevelen echter beide VNG-publicaties een afstand aan van 30 meter ten opzichte van woningen in een rustige woonwijk. Mede gelet op het deskundigenbericht, acht de Afdeling daarom het standpunt van verweerders dat deze vestigingen van lichte horeca bij de uitwerking van de bestemming “Woongebied (art. 11 W.R.O.)” zijn in te passen en geen onaanvaardbare verkeers- en geluidsoverlast voor de bewoners van zowel de aanwezige als geplande woningen behoeven te veroorzaken, niet onredelijk. Dergelijke, bescheiden horecavestigingen zullen in beginsel immers slechts overdag en ‘s-avonds geopend zijn.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening.

2.8.4.3. Anders oordeelt de Afdeling omtrent het standpunt van verweerders dat ook de twee middelzware horecavoorzieningen binnen 100 meter van de Vijfwal zijn in te passen bij de uitwerking van de bestemming “Woongebied (art. 11 W.R.O.)”. Voor vestigingen van middelzware horeca, zoals bedoeld in artikel 1, sub v., van de voorschriften, beveelt de VNG-publicatie van januari 1999 anders dan die van juli 1992 een afstand aan van 50 meter ten opzichte van woningen in een rustige woonwijk. Mede gelet op het deskundigenbericht, zijn dergelijke horecavestigingen niet zonder meer als passend te beschouwen in een rustige woonwijk. Zeker indien zodanige horecavestiging aan alle zijden door woningen wordt omgeven, zal aldus het deskundigenbericht, ernstige geluids- en verkeersoverlast kunnen ontstaan voor omwonenden. Dit klemt te meer, nu het plan niet uitsluit dat de twee toegestane middelzware horecavoorzieningen op korte afstand van elkaar kunnen worden gesitueerd.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit onderdeel is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Voorts geeft het deskundigenbericht aan dat voorzieningen in de categorie middelzware horeca, als bedoeld in artikel 1, sub v., van de voorschriften, naar hun aard veel meer zelf publiek aantrekken binnen een herkenbare groep van horecabezoekers dan dat zij voor hun functioneren afhankelijk (kunnen) zijn van (min of meer) toevallig passerende recreanten. Buiten specifieke horecagebieden zijn middelzware horecavestigingen, aldus het deskundigenbericht, daarom eerder bepalend voor het karakter van en de mogelijke functies in de omgeving dan dat zij dit karakter zouden ondersteunen.

Gelet hierop acht de Afdeling het standpunt van verweerders dat dergelijke voorzieningen de recreatieve functie van de Vijfwal zouden kunnen versterken en goed inpasbaar zijn in het te ontwikkelen woongebied, ook onvoldoende draagkrachtig onderbouwd.

Het beroep van [appellant] is in zoverre gegrond en de beroepen van [appellant] en van [appellanten] zijn geheel gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.8.5. [Appellant] heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de bestemming “Groendoeleinden” met de aanduiding “groendoeleinden I” op een groot gedeelte van zijn perceel aan de [lokatie]. Hij stelt dat zijn tuin en boomgaard niet nodig zijn voor de aanleg van de Vijfwal.

2.8.6. De gemeenteraad heeft aan de in geding zijnde gronden de bestemming “Groendoeleinden” met de aanduiding “groendoeleinden I” toegekend, aangezien deze gedeeltelijk liggen op de plek waar de Vijfwal zal worden gerealiseerd. Volgens de gemeenteraad heeft het gehele perceel van [appellant] een oppervlakte van meer dan 3.000 m2, met een breedte van ongeveer 90 meter langs de [lokatie]. Een zo grote onderbreking van de Vijfwal acht de gemeenteraad niet acceptabel, omdat daarmee te veel afbreuk zou worden gedaan aan de gewenste continuïteit van de Vijfwal. De gemeenteraad is van mening dat, na verwerving van het grootste gedeelte van de grond ten westen van de woning van [appellant], nog steeds een zeer royaal perceel resteert, met een totale breedte van 55 meter.

2.8.7. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij hebben overwogen dat de toekomstige Vijfwal een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het plan. Volgens verweerders is een perceelbreedte van 55 meter vanuit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt acceptabel te achten.

2.8.8. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.8.4.1. is overwogen omtrent de functie van de Vijfwal, stelt de Afdeling vast dat deze wal een essentieel, structuurbepalend element is in het te ontwikkelen woongebied. Het standpunt van verweerders dat onderbreking afbreuk zou doen aan de gewenste continuïteit, acht de Afdeling niet onredelijk.

Het perceel van [appellant] omvat, blijkens de stukken, een voormalige boerderij met bijgebouwen en enkele onbebouwde terreinen ter weerszijden van het hoofdgebouw. De gronden ten oosten van dit hoofdgebouw zijn in gebruik als tuin, en het terrein ten westen van dit gebouw wordt ingenomen door een boomgaard. Deze boomgaard wordt niet bedrijfsmatig geëxploiteerd. De tuin aan de oostkant van de woning van [appellant] zal gehandhaafd blijven.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant] is ongegrond.

2.9. Locatiebeleid en mobiliteitsprofielen voor bedrijventerreinen

2.9.1. De minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister van V&W) heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan artikel 6, zevende lid, sub 2 en 5, van de voorschriften. De minister van V&W stelt dat deze wijzigingsbepalingen in strijd zijn met het locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen zoals verwoord in essentiële uitspraken van de planologische kernbeslissing Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer.

2.9.2. Ter zitting hebben verweerders en de gemeenteraad verklaard dat overleg is gevoerd met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister van VROM) over de toepassing van de door de minister van V&W bestreden wijzigingsbevoegdheid. Met de minister van VROM is afgesproken dat het plan op dit onderdeel zal worden herzien en dat de voorwaarden waaronder gebruik kan worden gemaakt van de wijzingsbepalingen in overeenstemming zullen worden gebracht met het rijksbeleid. Verweerders en de gemeenteraad hebben betoogd dat hiermee in feite tegemoetgekomen is aan het door de minister van V&W ingestelde beroep.

2.9.3. Nu verweerders zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gevormd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel van het plan betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het beroep van de minister van V&W is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelet op de verklaringen van verweerders en de gemeenteraad ter zitting ziet de Afdeling aanleiding goedkeuring te onthouden aan artikel 6, zevende lid, sub 2 en 5, van de voorschriften.

2.10. Inpassing of uitplaatsing van bedrijven en woningen

2.10.1. Appellante Hoogendoorn B.V. heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de bestemming “Woongebied (art. 11 W.R.O.)” met de aanduiding “woondoeleinden B” aan de gronden die vallen binnen de hindercirkel behorend bij haar landbouwmechanisatie- en constructiebedrijf aan de Ambachtsweg. Zij vindt het onjuist dat haar bedrijf is wegbestemd voordat de verplaatsing daarvan een feit is.

2.10.1.1. De gemeenteraad heeft aan de in geding zijnde gronden de bestemming “Woongebied (art. 11 W.R.O.)” met de aanduiding “woondoeleinden B” toegekend, aangezien de gemeente Houten onder meer tot taak heeft gefaseerd een woongebied met ongeveer 6750 woningen te ontwikkelen. Na onderzoek is vastgesteld dat dit woongebied aan de zuidzijde van het bestaande Houten dient te worden gerealiseerd. De in geding zijnde gronden zijn nodig voor de realisering van dit woongebied en een goede inpassing van het landbouwmechanisatie- en constructiebedrijf daarbinnen is problematisch, vanwege de hinder die deze bedrijfsactiviteiten opleveren voor de bewoners van de te bouwen woningen. Volgens de gemeenteraad is het onvermijdelijk dat daardoor het bedrijf van appellante Hoogendoorn B.V. aan de Ambachtsweg niet gehandhaafd kan worden. Het gemeentebestuur voert overleg om te bezien of verplaatsing van dit bedrijf mogelijk is.

2.10.1.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij onderschrijven de motivering van de gemeenteraad. Wel hebben verweerders verklaard eerst medewerking te zullen verlenen aan stedelijke ontwikkeling binnen de hindercirkel van het bedrijf, die het functioneren van het bedrijf nadelig zou kunnen beïnvloeden, nadat over de aankoop dan wel verplaatsing van het bedrijf van appellante Hoogendoorn B.V. duidelijkheid bestaat.

2.10.1.3. De Afdeling stelt vast dat appellante Hoogendoorn B.V. met name vreest dat de continuering van het bedrijf op haar perceel tot aan het tijdstip van verplaatsing in gevaar komt.

Gebleken is dat inmiddels tussen het gemeentebestuur en appellante Hoogendoorn B.V. overeenstemming is bereikt over een vervangende locatie voor het bedrijf, behoudens de financiële aspecten die samenhangen met de grondverwerving en bedrijfsverplaatsing. Voorts is een tijdelijke geluidswal tegenover appellantes bedrijf opgericht, die door het gemeentebestuur zonodig zal worden verlengd en/of verhoogd wanneer de afschermende werking ervan richting het in aanbouw zijnde woongebied onvoldoende blijkt te zijn. Ook anderszins is de Afdeling niet gebleken dat het voortbestaan van het landbouwmechanisatie- en constructiebedrijf in gevaar komt gedurende de periode die nog resteert tot de daadwerkelijke bedrijfsverplaatsing naar de beoogde, nieuwe locatie.

Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellante Hoogendoorn B.V. heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante Hoogendoorn B.V. heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van appellante Hoogendoorn B.V. is ongegrond.

2.10.2. [Appellanten] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de bestemming “Bedrijfsdoeleinden (art. 11 W.R.O.)” met de aanduiding “bedrijfsdoeleinden II” op hun perceel aan de Beusichemseweg. Zij stellen dat hun kwekerij (annex tuincentrum) / hoveniersbedrijf ten onrechte niet positief is bestemd in het plan.

2.10.2.1. De gemeenteraad heeft aan het in geding zijnde perceel de bestemming “Bedrijfsdoeleinden (art. 11 W.R.O.)” met de aanduiding “bedrijfsdoeleinden II” toegekend, aangezien het perceel nodig is voor de realisering van begeleidende bebouwing van Het Spoor, een ontsluitingsweg voor het nieuwe wijkcentrum, het Castellum, in het verlengde van De Molenzoom. Volgens de gemeenteraad wordt overleg gevoerd om te bezien of verplaatsing van het bedrijf van appellanten Van der Hoeven mogelijk is.

2.10.2.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat handhaving van een hoveniersbedrijf met kwekerij en een tuinaanleg- en onderhoudsbedrijf op de huidige locatie niet mogelijk is gezien de stedelijke ontwikkelingen en dat op de huidige locatie meer hoogwaardige functies / bedrijven wenselijk zijn.

2.10.2.3. De Afdeling stelt vast dat de voor bedrijfsdoeleinden

(art. 11 W.R.O.) aangewezen gronden blijkens artikel 6, eerste lid, aanhef en onder sub II, van de voorschriften en de bij het plan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, onder meer bestemd zijn voor tuinbouwbedrijven met open grondteelt, plantsoendiensten / hoveniersbedrijven en een groothandel in bloemen, planten en tuinbenodigdheden. De voorschriften verzetten zich derhalve niet tegen de voortzetting door appellanten Van der Hoeven van hun bedrijfsactiviteiten op het perceel aan de Beusichemseweg, voor zover het betreft de hoveniersactiveiten en de groothandel in bloemen, planten en tuinbenodigdheden.

Het beroep van appellanten Van der Hoeven is in zoverre ongegrond.

De detailhandelsactiviteiten (tuincentrum) van appellanten Van der Hoeven zijn in het plan niet als zodanig bestemd. De Afdeling acht de motivering van de gemeenteraad en verweerders voor de onaanvaardbaarheid van deze functie ter plaatse niet voldoende draagkrachtig. Immers de plantoelichting noemt uitdrukkelijk perifere detailhandel als mogelijke activiteit binnen de bestemming “Bedrijfsdoeleinden II” en de voorschriften bevatten een vrijstellingsbepaling om detailhandel toe te staan

Het beroep van appellanten Van der Hoeven is derhalve in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.10.3. [Appellanten] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de aanduiding op de plankaart “gebied aan- en bijgebouwen toegestaan” voor de loods op hun perceel aan de Binnentuinen met de bestemming “Woondoeleinden”. Zij wensen een (meer) bedrijfsmatige bestemming voor de bij hun woning aanwezige loods.

2.10.3.1. De gemeenteraad heeft aan het in geding zijnde perceel de bestemming “Woondoeleinden” met de aanduiding “gebied aan- en bijgebouwen toegestaan” toegekend, aangezien daarmee het bestaande gebruik van de loods van [appellanten] positief is bestemd.

2.10.3.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij zijn van mening dat een bedrijfsmatig gebruik van de loods niet aanvaardbaar is, gezien de ligging van het perceel van [appellanten].

2.10.3.3. De in geding zijnde, oorspronkelijk voor agrarische doeleinden gebouwde, loods is blijkens de stukken met vrijstelling in gebruik geweest voor opslagdoeleinden voor verschillende particulieren en bedrijven, maar staat al geruime tijd leeg. Uit het deskundigenbericht volgt dat het perceel als een soort enclave in een klein, open gebied ligt dat als park zal worden ingericht, naast een recreatieplas, en slechts bereikbaar is via de straten van de nieuwe woonwijken. Het is derhalve niet onaannemelijk dat een bedrijfsmatig gebruik van de loods al snel verkeersoverlast zal veroorzaken in de omliggende woonstraten en een nadelige uitstraling zal hebben naar het aan te leggen park.

Verweerders hebben zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een ander gebruik van de loods dan voor opslagdoeleinden als bedoeld in artikel 1, sub i., van de voorschriften planologisch ongewenst is en dat het plan derhalve op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellanten] is in zoverre ongegrond.

2.10.4. [Appellanten] hebben tevens aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan artikel 8, tweede lid, aanhef en sub c., onder 1., van de voorschriften. Zij stellen dat in deze bepaling over de maximum goothoogte voor aan- en bijgebouwen ten onrechte geen uitzondering is opgenomen voor bestaande gebouwen met een grotere hoogte. Volgens [appellanten] was toegezegd dat de loods op hun perceel ook wat betreft de hoogte positief zou worden bestemd.

2.10.4.1. Ter zitting hebben verweerders en de gemeenteraad bevestigd dat aan [appellanten] inderdaad schriftelijk is toegezegd dat hun loods wat betreft de hoogte in het plan zou worden ingepast en dat daarmee in het plan respectievelijk het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden.

Nu verweerders zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gevormd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel van het plan betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het beroep van [appellanten] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelet op de verklaringen van verweerders en de gemeenteraad ter zitting ziet de Afdeling aanleiding goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” en de aanduiding “gebied aan- en bijgebouwen toegestaan”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart.

2.10.5. Appellante Agrarisch Technisch Houten v.o.f. (hierna: A.T.H. v.o.f.) heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de bestemming “Woongebied (art. 11 W.R.O.) met de aanduiding “woondoeleinden B” aan het perceel aan het Molenland, waarop een schuur staat van waaruit zij een detailhandels- en reparatiebedrijf in gemechaniseerd tuingereedschap drijft. Appellante A.T.H. v.o.f. vreest een gedwongen stopzetting van haar bedrijf als gevolg van deze bestemming.

2.10.5.1. De gemeenteraad acht het in geding zijnde perceel nodig voor de realisering van het hiervoor onder 2.10.1.1. vermelde woongebied. Inpassing van het detailhandels- en reparatiebedrijf van appellante A.T.H. v.o.f. daarbinnen is volgens de gemeenteraad problematisch vanwege de hinder die deze bedrijfsactiviteiten opleveren voor de bewoners van de te bouwen woningen. Het gemeentebestuur voert overleg met appellante A.T.H. v.o.f. om te bezien of verplaatsing van haar bedrijf mogelijk is.

2.10.5.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij onderschrijven het standpunt van de gemeenteraad.

2.10.5.3. In hetgeen appellante A.T.H. v.o.f. heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is van belang dat met het plan beoogd wordt uitvoering te geven aan de taakstelling van de gemeente Houten in het kader van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra, zoals vertaald in het streekplan en het regionaal structuurplan.

Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat de schuur, van waaruit appellante A.T.H. v.o.f. haar detailhandels- en reparatiebedrijf in gemechaniseerd tuingereedschap drijft, door zijn solitaire ligging binnen een intensief bebouwde woonwijk ongeschikt is als bedrijfslocatie.

In hetgeen appellant A.T.H. v.o.f. heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van appellant A.T.H. v.o.f. is in zoverre ongegrond.

2.10.6. Appellante A.T.H. v.o.f. heeft tevens aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de bestemming “Recreatieve en bijzondere doeleinden (art. 11 W.R.O.)” aan haar perceel aan de Binnenweg, waar de vennoten H. Scheltens en E.W. Scheltens wonen. Volgens appellante A.T.H. v.o.f. had het perceel een zodanige maatbestemming moeten krijgen, dat niet alleen de vennoten daar kunnen blijven wonen, maar dat ook haar detailhandels- en reparatiebedrijf in gemechaniseerd tuingereedschap daar kan worden voortgezet.

2.10.6.1. De gemeenteraad heeft aan het in geding zijnde perceel de bestemming “Recreatieve en bijzondere doeleinden (art. 11 W.R.O.)” toegekend, aangezien een goede inpassing van een complex voetbalvelden met zich brengt dat de gronden tot aan de Binnenweg erbij betrokken worden. Volgens de gemeenteraad blijkt uit verkavelingsplannen dat verwerving van het perceel van de vennoten H. Scheltens en E.W. Scheltens noodzakelijk is om alle voorzieningen te kunnen onderbrengen waaraan behoefte bestaat. Het gemeentebestuur voert overleg met appellante A.T.H. v.o.f. over aankoop van het perceel aan de Binnenweg. Daarbij wordt tevens bezien of er op een nieuwe locatie mogelijkheden zijn voor de voortzetting van haar aan het Molenland gevestigde detailhandels- en reparatiebedrijf in gemechaniseerd tuingereedschap.

2.10.6.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij hebben overwogen dat het provinciaal beleid erop is gericht recreatieve voorzieningen zoveel mogelijk te concentreren en bedrijven op bedrijfsterreinen te plaatsen.

2.10.6.3. Het beleid van verweerders gericht op het zoveel mogelijk concentreren van recreatieve voorzieningen en het plaatsen van bedrijven op bedrijfsterreinen, acht de Afdeling niet onredelijk.

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerders niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat aan het in geding zijnde perceel ook in het vorige plan geen woon- of bedrijfsbestemming, maar een agrarische bestemming was toegekend en dat het gemeentebestuur op verschillende aanvragen van appellante A.T.H. v.o.f. om een vergunning voor de bouw van een woning ter plaatse steeds afwijzend heeft beslist.

Verweerders hebben zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant A.T.H. v.o.f. heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van appellant A.T.H. v.o.f. is in zoverre ongegrond.

2.11. Verweerders dienen op hierna te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart niet-ontvankelijk:

- het beroep van [appellanten],

voorzover mede ingesteld namens [gemachtigde],

- [appellanten],;

- het beroep van[appellant], voor zover het betreft de

beroepsgrond gericht tegen het plandeel met de bestemming

“Bedrijfsdoeleinden (art. 11 W.R.O.)” en de aanduiding

“bedrijfsdoeleinden I”;

- het beroep van [appellant], voor zover het betreft de

beroepsgrond gericht tegen het plandeel met de bestemming

“Woongebied (art. 11 W.R.O.)” en de aanduiding

“voorzieningengebied”;

- het beroep van [appellanten], voor

zover het betreft de beroepsgrond gericht tegen artikel 25,

tweede lid, van de voorschriften;

II. verklaart de beroepen van [appellanten] gedeeltelijk en de beroepen van [appellanten] en van de minister van Verkeer en Waterstaat geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 7 december 1999, kenmerk 1999REG3734i, voorzover het betreft de goedkeuring van:

a. artikel 4, eerste lid van de voorschriften de woorden “en

middelzware” en in het derde lid, onder d., de zinsnede “Ten

hoogste 2 horecavestigingen in de vorm van lichte en

middelzware horeca ….. mag worden gerealiseerd”;

b. artikel 6, zevende lid, sub 2 en 5, van de voorschriften;

c. het plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden

(art. 11 W.R.O.)” en de aanduiding “bedrijfsdoeleinden II”, voor

zover betrekking hebbend op het perceel kadastraal gemeente

Houten, sectie A, nummer 7621, met grootte van 7.555 m2;

d. het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” en de

aanduiding “gebied aan- en bijgebouwen toegestaan”, zoals

nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende

gewaarmerkte kaart;

IV. onthoudt goedkeuring aan artikel 6, zevende lid, sub 2 en 5, van de voorschriften en aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” en de aanduiding “gebied aan- en bijgebouwen toegestaan”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

V. bepaalt dat deze onthouding van goedkeuring in de plaats treedt van de onder III, aanhef en sub b. en d., vermelde onderdelen van het vernietigde besluit;

VI. verklaart de beroepen van [appellanten], van Hoogendoorn B.V. en van Agrarisch Technisch Houten v.o.f. geheel ongegrond;

VII. veroordeelt gedeputeerde staten van Utrecht in de in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten:

- ten aanzien van [appellant] tot een bedrag van € 115,52;

- ten aanzien van [appellanten] tot een

bedrag van € 119,96;

- ten aanzien van [appellant] tot een bedrag van

€ 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig

verleende rechtsbijstand;

- ten aanzien van [appellanten] tot een

bedrag van € 759,52, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe

te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende

rechtsbijstand;

- ten aanzien van [appellanten] tot een bedrag van € 644,00,

geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende

rechtsbijstand;

Deze bedragen dienen door de provincie Utrecht te worden betaald aan de genoemde personen;

VIII. gelast dat de provincie Utrecht aan [appellanten], afzonderlijk, het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt en aan de minister van Verkeer en Waterstaat het door hem voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. J.A.W. Scholten?Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Nolles

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2002

291-349.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,