Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE0698

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-03-2002
Datum publicatie
27-03-2002
Zaaknummer
200103923/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet
Natuurbeschermingswet 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 133 met annotatie van J.M. Verschuuren
JOM 2006/687
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103923/1.

Datum uitspraak: 27 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting “Stichting Werkgroep Behoud de Peel”, gevestigd te Deurne,

appellante,

en

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2000, kenmerk TRCJZ/2001/8749, heeft verweerder aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet vergunning onder voorwaarden verleend voor de aanleg en verbetering van een recreatieve fietsvoorziening in het natuurmonument de Deurnese Peel.

Bij besluit van 27 juni 2001, op dezelfde dag verzonden, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij fax-bericht van 7 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij fax-bericht van 3 september 2001. Deze fax-berichten zijn aangehecht.

Bij brief van 5 oktober 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], voorzitter van appellante, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.C. Bootsma, ambtenaar van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne, vertegenwoordigd door J.A.M. Roijakkers.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet is het verboden zonder vergunning van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden, handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument of die een beschermd natuurmonument ontsieren.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, worden in ieder geval als schadelijk voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument aangemerkt handelingen, die de in de beschikking tot aanwijzing genoemde wezenlijke kenmerken van een beschermd natuurmonument aantasten.

2.2. Appellante betoogt dat verweerder door vergunning te verlenen voor de aanleg en verbetering van een recreatieve fietsvoorziening ten onrechte de belangen van de gemeente Deurne heeft laten prevaleren boven die van de natuur in “het Zinkske”, onderdeel van het beschermd natuurmonument de Deurnese Peel. Volgens appellante mocht deze vergunning slechts verleend worden indien zeker is dat de aanleg en verbetering geen significante gevolgen zullen hebben voor een ingevolge artikel 6 van de Habitatrichtlijn aangewezen gebied. Nu over de gevolgen geen zekerheid bestaat, kon volgens appellante slechts vergunning verleend worden als de aanleg en verbetering van de fietsvoorziening van groot openbaar belang is en dan alleen wanneer er geen alternatieven zijn. Appellante betwist het groot openbaar belang bij de uitvoering van deze werken en stelt voorts dat er een aanvaardbaar alternatief voorhanden is.

2.3. In zijn verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de Deurnese Peel niet is aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat verweerder bij besluit van 12 mei 1992, Stcrt. 1992, 94, de Deurnese Peel heeft aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103; verder: Vogelrichtlijn). Hieruit volgt dat verweerders stelling onjuist is. Hoezeer verweerder terzake dwaalt, blijkt uit zijn stelling dat het gebied zich niet kwalificeert voor een aanwijzing op grond van de Vogelrichtlijn.

2.3.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn dienen de Lidstaten voor de leefgebieden van de in Bijlage I van de richtlijn genoemde vogelsoorten speciale beschermingsmaatregelen te treffen, met name door het aanwijzen van de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszone.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, dienen de Lidstaten soortgelijke maatregelen te nemen ten aanzien van de niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogels ten aanzien van hun broed-, rui- en overwinteringsgebieden en rustplaatsen in hun trekzones.

Ingevolge artikel 7 van de richtlijn 92/43/ EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; verder: Habitatrichtlijn) komen de uit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, voortvloeiende verplichtingen in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, vierde lid, eerste zin, van de Vogelrichtlijn, voor wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van die richtlijn zijn aangewezen of bij analogie overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van die richtlijn zijn erkend, zulks vanaf de datum van toepassing van de onderhavige richtlijn, dan wel vanaf de datum van de aanwijzing of erkenning door een Lidstaat overeenkomstig de Vogelrichtlijn, indien deze datum later valt.

2.3.3. In artikel 6, tweede lid, is bepaald dat de Lidstaten passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voorzover die factoren, gelet op de doelstellingen van de richtlijn, een significant effect zouden kunnen hebben.

In artikel 6, derde lid, is bepaald dat voor plannen of projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een speciale beschermingszone een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. De bevoegde instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven, nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten.

2.3.4. Nu vast staat dat de Deurnese Peel is aangemerkt als speciale beschermingszone, rust op verweerder de taak te bezien in hoeverre ten aanzien van de aanleg en verbetering van de recreatieve fietsvoorziening aan de uit de Habitatrichtlijn voortvloeiende verplichtingen kan worden voldaan.

Aan het bestreden besluit ligt geen onderzoek ten grondslag waarbij is nagegaan of de aanleg en verbetering van de recreatieve fietsvoorziening zich verdraagt met de onder 2.3.1. genoemde aanwijzingsbeschikking en artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Gelet hierop heeft verweerder het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze voorbereid.

Reeds hierom is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 27 juni 2001, kenmerk TRCJZ/2001/8749;

III. veroordeelt de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 48,36; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden te worden betaald aan aan appellante;

IV. gelast dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2002

12-400.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,