Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE0671

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-03-2002
Datum publicatie
27-03-2002
Zaaknummer
200104611/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104611/1.

Datum uitspraak: 27 maart 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting 'Stichting Milieuwerkgroepen Ede', gevestigd te Ede, en

de stichting 'Gelderse Milieufederatie', gevestigd te Arnhem

appellanten,

en

burgemeester en wethouders van Ede,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2001, kenmerk WM/1997-017, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan MAC Harskamp een vergunning verleend tot 1 mei 2004 voor het oprichten en in werking hebben van motorclub met trainingscircuit in clubverband op het perceel plaatselijk bekend Dabbelosepad/Rondweg/ISK-terrein, ongenummerd, te Harskamp, kadastraal bekend gemeente Otterlo, sectie A, nummer 1157. Dit aangehechte besluit is op 9 augustus 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 13 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 oktober 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en

[gemachtigde], gemachtigden, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. A.O.R. Broek en W. van Plateringen, beiden ambtenaar van de gemeente, en bijgestaan door dr. J.G. de Molenaar, deskundige, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op een trainingscircuit voor motorcross. De inrichting is gelegen in het Centraal Veluws Natuurgebied op een militair oefenterrein van het Ministerie van Defensie.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten voeren aan dat de inrichting ten onrechte gelegaliseerd is; het besluit tot tijdelijke vergunningverlening van 28 oktober 1997, kenmerk WM/97-017, is vernietigd door de Afdeling bij uitspraak van 28 januari 1999. Aangezien momenteel weer een besluit tot tijdelijke vergunningverlening tot 1 mei 2004 aan de orde is en de motorcross activiteiten in de tussentijd doorgang hebben gevonden, dient dit besluit te worden vernietigd, omdat er blijkbaar geen andere locatie kan worden gevonden, aldus appellanten.

Appellanten kunnen zich voorts niet met het besluit tot vergunningverlening verenigen vanwege strijd met het gemeentelijk beleid zoals dat impliciet is verwoord in het bestemmingsplan. Zij brengen in dit kader naar voren dat verweerders zich bij de eerdere en huidige vergunningprocedure expliciet uitgesproken hebben voor beëindiging van het gebruik van de inrichting voor motorcrossactiviteiten. In de tweede plaats stellen appellanten dat in Rijksnota’s en streekplannen integratie van beleid plaats vindt en dat dit derhalve ook op gemeentelijk niveau dient te gebeuren: verweerders hadden met dit provinciale en Rijksbeleid rekening moeten houden.

2.3.1. Uit de stukken blijkt dat vóór het ter inzage leggen van het ontwerp van het besluit, en dus tijdig, de aanvraag is gewijzigd, in die zin dat een vergunning wordt aangevraagd tot 1 mei 2004. Gelet hierop constateert de Afdeling dat de tijdelijkheid van de vergunning is aangevraagd; verweerders zijn gehouden te beslissen op de aanvraag zoals die wordt ingediend, hetgeen zij hebben gedaan. Deze beroepsgrond kan daarom geen doel treffen.

Voorzover appellanten aanvoeren dat de inrichting niet past op deze locatie omdat een en ander in strijd is met het gemeentelijk, provinciaal en Rijksbeleid overweegt de Afdeling dat de locatie van de desbetreffende inrichting een planologische kwestie is. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer en kan niet leiden tot het beoogde resultaat. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Appellanten stellen dat het aan de vergunning ten grondslag liggende rapport 'Motorcrossen op het Infanterieschietkamp Harskamp', opgesteld in opdracht van MAC Harskamp door Alterra, een research instituut voor de groene ruimte, geen ondersteuning van het gemeentelijk beleid biedt en dat er bekende gegevens in staan, gecombineerd met aannames en mogelijkheden.

2.4.1. De Afdeling oordeelt dat de beroepsgrond dat het Alterra-rapport geen ondersteuning van het gemeentelijk beleid biedt, in het kader van de onderhavige procedure, waar de verleende vergunning ingevolge de Wet milieubeheer aan de orde is, geen rol kan spelen, nu appellanten hierbij doelen op planologisch beleid. Gelet op het onderzoek, de overige stukken en hetgeen appellanten en dr. J.G. de Molenaar, werkzaam bij Alterra, ter zitting omtrent de deugdelijkheid van het Alterra-rapport hebben gesteld is niet gebleken dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben gesteld dat het onderzoek voldoende inzicht biedt om deze vergunning te verlenen en daaraan nadere voorschriften te verbinden. Dat het onderzoek is opgesteld in opdracht van vergunninghoudster doet hieraan niet af. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellanten betogen dat het begin van het broedseizoen niet bij compromis mag worden vastgelegd op 1 april, terwijl het broedseizoen normaal begint rond 15 maart. Zij wensen aanpassing in deze zin van het hierop betrekking hebbende voorschrift 1.

2.5.1. Verweerders betogen dat de keuze voor het tijdstip van 1 april is gebaseerd op inhoudelijke gronden. Uit nadere informatie van Alterra is namelijk gebleken dat zich in de directe omgeving van het motorcrossterrein geen vogels bevinden die reeds vanaf 15 maart broeden. Ter zitting is nader toegelicht door dr. J.G. de Molenaar dat dit standpunt is ingenomen na raadpleging van een door het Informatie Kennis Centrum voor flora, fauna en vegetatie van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij opgestelde rapportage van een inventarisatie van de ter plaatse voorkomende broedvogels, alsmede na een beoordeling van de vegetatie ter plaatse. Deze vegetatie is niet geschikt voor vroeg broedende vogels, zoals de boomleeuwerik. Gelet hierop is van verstoring van ter plaatse broedende vogels met de thans gestelde datum van 1 april geen sprake, aldus verweerders.

2.5.2. Ingevolge voorschrift 1 mag de inrichting niet in werking zijn tussen 1 april en 15 oktober.

2.5.3. Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aannemelijk geworden dat door het vaststellen van de ingangsdatum van het broedseizoen op 1 april - zoals voortvloeit uit het aan de vergunning verbonden voorschrift 1 - de broedfunctie van het gebied als gevolg van de onderhavige inrichting in gevaar komt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.6. Tot slot voeren appellanten aan dat zij een voorkeur hebben voor handhaving, nu de inrichting zonder de vereiste vergunning in werking is. Deze beroepsgrond richt zich niet tegen de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden in deze procedure niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Deze beroepsgrond faalt.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.M.S. Leyten-de Wijkerslooth, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.C. van Geel, ambtenaar van Staat.

w.g. Leyten-de Wijkerslooth w.g. Van Geel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2002.

125-389.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,