Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE0458

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2002
Datum publicatie
21-03-2002
Zaaknummer
200106209/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2001:AD9292
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/100

Uitspraak

Raad

van State

200106209/1.

Datum uitspraak: 31 januari 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. [vreemdeling],

2. de Staatssecretaris van Justitie,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 10 december 2001 in het geding tussen:

appellant sub 1

en

appellant sub 2.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2001 heeft appellant sub 2 (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant sub 1 (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 december 2001, verzonden op 12 december 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te ’s?Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling bij faxbericht, bij de Raad van State binnengekomen op 18 december 2001, en de staatssecretaris bij faxbericht, bij de Raad van State binnengekomen op 19 december 2001, hoger beroep ingesteld. Deze berichten zijn aangehecht.

Bij brief van 27 december 2001 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend. Bij brief van 2 januari 2002 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevat het beroepschrift in aanvulling op de in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gestelde eisen, een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de president van de rechtbank.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop dat standpunt rust.

Ingevolge het derde lid wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, indien niet is voldaan aan het eerste of tweede lid, aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het hoger beroep. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

2.2. Hetgeen in het hoger-beroepschrift van de vreemdeling is aangevoerd, is uitsluitend een herhaling van in beroep naar voren gebrachte standpunten, waarop de rechtbank heeft beslist. Mitsdien is geen sprake van grieven in de zin van voormeld artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000. Daarom is niet voldaan aan het bepaalde in het eerste lid van dat artikel.

2.3. Het hoger beroep van de vreemdeling is derhalve kennelijk niet?ontvankelijk.

2.4. Grief I van de staatssecretaris klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat de vreemdelingenwet- en regelgeving de staatssecretaris een ruime beleids- en beoordelingsvrijheid heeft toegekend bij het al of niet voeren van een categoriaal beschermingsbeleid, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. De rechtbank heeft dat door te overwegen dat zij, anders dan de staatssecretaris, niet van oordeel is dat de vreemdeling een verblijfsalternatief heeft in het relatief veilige deel van Somalië, miskend.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (overweging 2.2.1. tot en met 2.2.5. van de uitspraak van 14 januari 2002 in zaak nr. 200105382/1, ter voorlichting van partijen in afschrift aangehecht) [redactie: url('AD9390',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail?ui_id=31505)], is de beoordeling of wordt voldaan aan de maatstaven, neergelegd in artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de notitie over het beleid van categoriale bescherming van 23 mei 2001 (TK 2000-2001, 19 637, nr. 588) - in het bijzonder aan de maatstaf of sprake is van een, naar plaatselijke maatstaven gemeten, categoriaal humanitaire noodsituatie, dat wil zeggen of in zijn algemeenheid een categoriaal risico voor lijf en leden bestaat ten gevolge van de algemene humanitaire situatie - aan de staatssecretaris en kan deze door de rechter slechts terughoudend worden getoetst. Blijkens de door de staatssecretaris aangevochten overweging, die aansluiting vindt in de navolgende overwegingen, heeft de rechtbank deze terughoudendheid niet betracht. Grief I van de staatssecretaris treft dan ook doel.

2.5. In de grieven II en V richt de staatssecretaris zich tegen de overweging van de rechtbank dat niet zonder meer van een veilig verblijfsalternatief voor de Bajuni in het relatief veilige deel van Somalië kan worden uitgegaan, gelet op het feit dat de staatssecretaris in de beleidsbrief van 24 september 2001 (TK 2001-2002, 19 637, nr. 606) met betrekking tot de veiligheid in de gebieden waarvoor een verblijfsalternatief wordt aangenomen een kanttekening maakt in die zin dat die veiligheid afhankelijk is van de kracht van de lokale of regionale besturen en gelet op de omstandigheid dat de Bajuni volgens Amnesty International een extra kwetsbare groep vormen, omdat zij ongewapend zijn en niet kunnen rekenen op de bescherming van een gewapende clan.

In grief III klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank

er ten onrechte vanuit gaat dat de door eiser overgelegde rapportages van het BBC-nieuws van eind november 2001 over de situatie in de stad Garowe, de conclusie van de staatssecretaris dat de in brieven van Amnesty International genoemde ongeregeldheden slechts incidenten zijn die voor mensen die zich niet met professionele activiteiten bezighouden van geen betekenis zijn, in een ander licht stellen.

In grief IV klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte in haar overwegingen heeft betrokken dat in TBV 2001/35, gepubliceerd op 30 november 2001 (Stcrt. 2001, 233), wordt vermeld dat aan groepen die volgens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 juni 2001 hun traditionele woongebied niet in het relatief veilige gebied of overgangsgebied hebben (zoals de Reer Hamar en de Bajuni) in beginsel geen vlucht- of vestigingsalternatief in dat gebied wordt tegengeworpen.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de voormelde uitspraak van 14 januari 2002, bestaat er geen grond om te oordelen dat de staatssecretaris zich op basis van de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Somalië van 16 februari 2000 en 12 juni 2001 ten aanzien van minderheidsgroepen in het algemeen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat terugkeer naar, dan wel verblijf in, het noorden van Somalië in verband met de algemene situatie aldaar niet van bijzondere hardheid is.

2.5.2. De beslissing van de staatssecretaris dat voor minderheidsgroepen een verblijfsalternatief in het noorden van Somalië aanwezig wordt geacht, is gebaseerd op de stelling dat de lokale en regionale besturen in het noorden van Somalië met toenemende effectiviteit een overkoepelende neutrale bescherming bieden. De ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken bieden hiervoor voldoende feitelijke grondslag. De in de aangevallen overweging aangehaalde constatering dat de veiligheid afhankelijk is van de kracht van evenbedoelde besturen, doet aan de stelling van de staatssecretaris niet af, doch sluit er op aan.

Naar aanleiding van de rapportages van de BBC over de situatie in de stad Garowe heeft de staatssecretaris zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat deze geen concrete aanknopingspunten bieden voor het algemene oordeel dat leden van minderheidsgroepen zich in het gehele noorden van Somalië - wegens onveiligheid of het ontbreken van basisvoorzieningen - in een, naar plaatselijke maatstaven gemeten, humanitaire noodsituatie bevinden. De Afdeling ziet hierin derhalve geen aanleiding voor een ander oordeel dan is neergelegd in de voornoemde uitspraak van 14 januari 2002.

2.5.3. De door de rechtbank aangehaalde passage uit TBV 2001/35 ziet op een vlucht- of vestigingsalternatief, en heeft derhalve uitsluitend betrekking op asielzoekers van wie is vastgesteld dat zij gegronde vrees voor vervolging hebben, of een reëel risico lopen op een behandeling in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld kan deze passage derhalve geen afbreuk doen aan de houdbaarheid in rechte van de beslissing van de staatssecretaris om ten aanzien van minderheidsgroepen geen categoriaal beschermingsbeleid als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 te voeren.

2.5.4. Ook de grieven II tot en met V van de staatssecretaris slagen derhalve.

2.6. Het hoger beroep van de staatssecretaris is dan ook kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden geen aanleiding geven voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling, gelet op zijn behoren tot de bevolkingsgroep der Bajuni en hetgeen hij overigens aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, niet in aanmerking kwam voor verlening van een verblijfsvergunning asiel, dit beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk;

II. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 10 december 2001 in zaak nr. AWB 01/63721;

IV. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. T.M.A. Claessens, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Groeneweg

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2002

32-348.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,