Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE0405

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2002
Datum publicatie
20-03-2002
Zaaknummer
200005018/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200005018/1.

Datum uitspraak: 20 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

(…), wonend te (…),

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 1997 heeft de gemeenteraad van Groesbeek, op voorstel van burgemeester en wethouders van 21 januari 1997, vastgesteld het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Mies".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Namens verweerders is bij besluit van 10 september 1997, nr. RG97.18176, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 december 1999, nr. E01.97.0590, heeft de Afdeling het door appellanten ingediende beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten, uitgezonderd onder meer voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de in bijlage I bij de planvoorschriften opgenomen Staat van Inrichtingen.

De uitspraak is aan deze uitspraak gehecht.

Naar aanleiding van deze uitspraak hebben verweerders bij besluit van 29 augustus 2000, nr. RE1999.111633, een nieuw besluit genomen ter zake van de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 24 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2000, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 maart 2001 hebben verweerders medegedeeld dat het beroepschrift hun geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2001, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, gemachtigde,

en verweerders, vertegenwoordigd door mr. I. Smeenk, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Tevens is daar gehoord de gemeenteraad van Groesbeek, vertegenwoordigd door J.G.M. Thijssen, wethouder.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan voorziet in een nieuw, ongeveer 10 hectare groot bedrijventerrein, aansluitend aan het bestaande bedrijventerrein ten oosten van de kern Groesbeek.

Bij hun thans bestreden besluit hebben verweerders, voor zover nodig, een nieuw besluit genomen en, voor zover hier van belang, gedeeltelijk goedkeuring onthouden aan de in bijlage I bij de planvoorschriften opgenomen Staat van Inrichtingen.

2.3. Appellanten, die een pluimveehouderij aan de Koningin Wilhelminaweg 43 te Groesbeek exploiteren, kunnen zich met dit besluit niet verenigen. Zij zijn van mening dat het besluit wederom onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Uit niets blijkt volgens hen hoe de lijst van toegestane bedrijven tot stand is gekomen. Zo is onder meer onduidelijk wat onder “kantoren” en “stankgevoelige bedrijven” moet worden verstaan. Het lijkt willekeurig waarom bepaalde bedrijven in de bijlage wel zijn toegestaan en andere niet. Bovendien achten appellanten het onjuist met zulk een bijlage te werken, omdat die slechts een typering geeft van de aard van het product dat wordt vervaardigd of de dienst die wordt geleverd. Daarmee is geenszins gesteld dat er per definitie sprake is van geringe aantallen personeel of bezoekers.

2.4. Verweerders stellen zich op het standpunt dat zij op juiste wijze uitvoering hebben gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 13 december 1999.

2.5. In haar uitspraak van 13 december 1999 heeft de Afdeling gewezen op het (destijds opgemaakte) verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak. Daarin werd aangegeven dat ook andere bedrijfssoorten als stankgevoelig zouden kunnen worden aangemerkt dan die waaraan in het besluit van 10 september 1997 goedkeuring is onthouden. Het betreft bedrijven met een hoge bezoekintensiteit, zelfstandige kantoren, groothandels in voedings- en genotmiddelen, in dierlijke voedingsmiddelen en in farmaceutische, medische en cosmetische artikelen, alsmede wasserijen en strijkinrichtingen. Van veel bedrijven is volgens dit deskundigenbericht onduidelijk hoe groot de arbeidsintensiteit kan zijn, zoals de bedrijfssoorten genoemd onder “Textielindustrie” en “Kledingindustrie”. Voorts behoren volgens het deskundigenbericht kappersbedrijven, schoonheidsinstituten en uitvaartcentra niet in een stankbelaste omgeving te worden gevestigd.

Naar aanleiding hiervan heeft de Afdeling het volgende overwogen:

“Gelet op het vorenstaande stelt de Afdeling vast dat er verschillen van inzicht kunnen bestaan omtrent de beantwoording van de vraag welke bedrijven die zijn opgenomen in de Staat van Inrichting stankgevoelig zijn. Naar het oordeel van de Afdeling is het bestreden besluit wat dit aspect betreft evenwel onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat uit de bewoordingen van het bestreden besluit blijkt dat ook andere bedrijfssoorten dan die waaraan goedkeuring is onthouden binnen de stankcirkel onaanvaardbaar zijn, maar dat is nagelaten te bezien welke bedrijfssoorten het betreft.”

2.5.1. In het thans bestreden besluit hebben verweerders gesteld dat uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening binnen een stankcirkel geen (bedrijfs)woningen, kantoren en stankgevoelige bedrijvigheid kunnen worden toegelaten. Dit enerzijds om te voorkomen dat ter plaatse een slecht leef- en woonklimaat ontstaat, anderzijds om te voorkomen dat de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf van appellanten onevenredig worden beperkt. Om die reden heeft de gemeenteraad volgens verweerders beide eerstgenoemde functies binnen de stankcirkel uitgesloten. Verweerders verstaan voorts onder stankgevoelige bedrijvigheid bedrijven die naar hun aard stankgevoelig zijn (bijvoorbeeld de voedings- en genotmiddelenindustrie), bedrijven waar (relatief) grote concentraties van mensen werkzaam zijn vanwege de gebruikte arbeidsintensieve productiewijze en/of bedrijven met een (relatief) hoge bezoekintensiteit.

Zij hebben hiermee naar het oordeel van de Afdeling geen onjuiste maatstaf aangelegd.

2.5.2. Verweerders hebben vervolgens aan alle in het deskundigenbericht genoemde bedrijfssoorten, alsmede aan een aanzienlijk aantal andere in de Staat van Inrichting genoemde bedrijfssoorten, alsnog goedkeuring onthouden. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat verweerders aan de overige bedrijven in redelijkheid geen goedkeuring hebben kunnen verlenen.

2.5.3. Niet gebleken is dat in dit geval bij bedrijven met een bijkomende kantoorfunctie, deze kantoorfunctie, noch ook het aantal werknemers en/of bezoekers van die bedrijven, een zodanige omvang zal hebben dat om die reden in het plan een specifieke regeling had moeten worden opgenomen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het gaat om plaatselijke bedrijvigheid met relatief kleine bedrijven met in de meeste gevallen niet meer dan 5 of 6 werknemers.

2.5.4. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders op juiste wijze uitvoering hebben gegeven aan de uitspraak van 13 december 1999. Voorts is niet aannemelijk geworden dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat appellanten door de goedgekeurde planonderdelen niet onevenredig in hun bedrijfsvoering zullen worden beperkt.

2.6. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Voorzitter, en mr. A. Kosto en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Z.N. Kammeraat, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Kammeraat

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2002

295.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,