Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE0404

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2002
Datum publicatie
20-03-2002
Zaaknummer
200004571/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2002/3618 met annotatie van Redactie
Milieurecht Totaal 2002/1105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200004571/1.

Datum uitspraak: 20 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. (…), wonend te (…),

2. (…) en (…), wonend te (…),

3. (…), wonend te (…),

4. (…), wonend te (…),

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2000, kenmerk DWM/20000/9297, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Versluys en Zoon B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het produceren van (koud)asfalt, regeneratieasfalt, funderingen ten behoeve van wegenbouwkundige werken en betonmortel, voor het zeven en breken van teerhoudende en teervrije asfaltschollen/freeasfalt en voor het op- en overslaan van grondstoffen ten behoeve van wegenbouwkundige werken, op het perceel (…) 89-91 te Bodegraven, kadastraal bekend gemeente Bodegraven, sectie G, nummers 152?155. Dit aangehechte besluit is op 28 augustus 2000 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 18 september 2000, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2000, appellanten sub 2 bij brief van 2 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2000, appellant sub 3 bij brief van 5 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2000 en appellant sub 4 bij brief van 4 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2000 beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 januari 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 31 juli 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2001, waar appellant sub 1 in persoon, appellanten sub 2 in persoon en bijgestaan door W.G. Tideman, gemachtigde, appellant sub 3 in persoon, appellant sub 4 in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door ing. E. Schepers, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door J.C. Versluys en M.J. Passtoors, gemachtigden, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellant sub 1 heeft de grond inzake de ligging in een natuurlandschap dan wel een ecologische zone niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Appellanten sub 2 hebben de gronden inzake de opslag van afvalstoffen, vrees voor neerslag van Pak’s in de bodem en nieuwe verwijderingsmethodes voor teer niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante sub 1 en appellanten sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant sub 1 en appellanten sub 2 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. De aanvraag ziet op een uitbreiding van de activiteiten met de opslag van teerhoudende en teervrije asfaltschollen/freeasfalt en het be? en verwerken daarvan door middel van een mobiele zeef/breekinstallatie, een mobiele BRAC/BREM installatie en een mobiele Finfaltinstallatie tot materiaal ten behoeve van de wegenbouw.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente, algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Voorzover appellanten sub 3 en sub 4 aanvoeren dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, omdat de desbetreffende locatie niet geschikt is voor een inrichting als de onderhavige, overweegt de Afdeling dat verweerders zijn gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellanten sub 3 en sub 4 vrezen dat hun woning in waarde zal verminderen door de activiteiten vanwege de inrichting.

De Afdeling overweegt dat dit aspect geen rol kan spelen bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Reeds hierom kan deze beroepsgrond niet slagen.

2.6. Appellanten voeren voorts, samengevat weergegeven, aan dat zij stof-, stank- en geluidoverlast vanwege het in werking zijn van de inrichting ondervinden. De door verweerders gestelde normen zijn huns inziens onvoldoende ter voorkoming van deze hinder. Zij stellen dat de normen worden overschreden. Appellanten vrezen meer specifiek dat de verlening van de vergunning gepaard zal gaan met een toename van de geluidoverlast vanwege het verkeer van en naar de inrichting.

2.7. Blijkens de stukken hebben verweerders wat betreft de beoordeling van stofhinder aangesloten bij paragraaf 3.3 ‘Stofemissie bij verwerking, bereiding, transport, laden en lossen alsmede opslag van stuifgevoelige stoffen’ uit de Nederlandse emissierichtlijnen lucht, uitgave 1992 (verder: NeR). In de NeR zijn richtlijnen gegeven in de vorm van maatregelen ter beperking van diffuse stofemissies ten gevolge van handelingen met stuifgevoelige stoffen, welke zijn ingedeeld in vijf verschillende stuifklassen (S1 tot en met S5). Voor de verschillende stuifklassen worden maatregelen aanbevolen ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder, zoals het bevochtigen, afdekken en afschermen van stuifgevoelige materialen.

Verweerders menen dat de in de aanvraag onder punt 7.4 genoemde maatregelen en de door hen gestelde voorschriften 6.1 tot en met 6.5 toereikend zijn ter voorkoming dan wel voldoende beperking van stofhinder.

2.7.1. Blijkens de stukken kan stofhinder als gevolg van het in werking zijn van de onderhavige inrichting worden veroorzaakt door het gebruik van de Finfaltinstallatie en door verwaaiing van stuifgevoelige stoffen bij op? en overslag.

Wat betreft stofverspreiding bij het gebruik van de Finfaltinstallatie hebben verweerders uiteengezet dat de stofdeeltjes die worden geëmitteerd relatief groot zijn en voornamelijk in de nabijheid van de installatie zullen neerslaan, zodat het niet waarschijnlijk is dat als gevolg van deze installatie buiten de inrichting stofhinder zal optreden. Gelet hierop en op het deskundigenbericht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de gestelde voorschriften een toereikend beschermingsniveau bieden wat betreft het in werking zijn van de Finfalt-installatie.

Wat betreft de verwaaiing van stuifgevoelige stoffen, stelt de Afdeling vast dat bepaalde door de NeR aanbevolen maatregelen voor de stuifklassen S4 en S5 niet in de aanvraag zijn opgenomen en evenmin door verweerders zijn voorgeschreven. De Afdeling overweegt verder dat uitgangspunt van de bedoelde bijzondere NeR?regeling met betrekking tot diffuse emissies is dat geen direct bij de bron visueel waarneembare stofverspreiding mag optreden. In afwijking van dit uitgangspunt hebben verweerders in voorschrift 6.5, voorzover hier van belang, bepaald dat diffuse stofemissies afkomstig van stuifgevoelige stoffen zodanig dienen te worden bestreden dat buiten de inrichting geen waarneembare stofverspreiding plaatsvindt.

Verweerders hebben naar het oordeel van de Afdeling in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende gemotiveerd waarom het door hen in afwijking van de in de NeR aanbevolen maatregelen gestelde voorschrift voldoende bescherming biedt tegen deze vorm van hinder en handhaafbaar is nu het niet is gebaseerd op direct bij de bron waarneembare stofverspreiding.

Het beroep treft in zoverre doel.

2.8. Bij het opstellen van de geurvoorschriften hebben verweerders de brief van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juni 1995, LE/LV/AJS95.16B, als uitgangspunt genomen. In deze brief is als algemeen uitgangspunt geformuleerd dat (nieuwe) geurhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen. Als er wel geurhinder is, dienen maatregelen te worden getroffen die stroken met het ALARA-beginsel, dat is neergelegd in artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. De mate van hinder die nog acceptabel is, moet volgens de brief van 30 juni 1995 worden vastgesteld door het bevoegd bestuursorgaan.

In de onderhavige inrichting vindt productie plaats van koudasfalt en van regeneratieasfalt.

Verweerders stellen dat vanwege de lage temperaturen bij de productie van koudasfalt, er nauwelijks kans op geurhinder is. Ook bij de productie van regeneratieasfalt met behulp van de Finfaltinstallatie valt bij naleving van het aan de vergunning verbonden voorschrift 6.6 volgens verweerders geen ernstige geurhinder bij gevoelige objecten in de nabije omgeving te verwachten, vanwege onder meer de geringe hoeveelheid lucht die uit de doseerbunkers wordt geëmitteerd en vanwege de lage gebruikstemperatuur. Zij hebben zich daarbij gebaseerd op het (ongedateerde) rapport ‘Emissie?onderzoek “half-warme” asfaltmenginstallatie Finfalt, uitgevoerd door Tauw Milieu B.V., op aanvullende informatie over het Finfalt-procédé en op geurresultaten van een in werking zijnde vergelijkbare installatie.

Met betrekking tot de op? en overslag van teerhoudend asfalt zijn verweerders er bij de beoordeling van de aanvraag van uitgegaan dat van deze activiteit nagenoeg geen geurhinder te verwachten viel. Tijdens de vergunningverleningsprocedure hebben verweerders klachten ontvangen over geurhinder, veroorzaakt door deze activiteit en hebben zij vervolgens voorschrift 6.7 aan de vergunning verbonden, dat voorziet in een onderzoeksplicht.

2.8.1. Wat betreft de productie van koud asfalt en regeneratieasfalt is de Afdeling, gelet op het deskundigenbericht, van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder als gevolg van deze productieprocessen.

Blijkens het deskundigenbericht zal enige geuremissie bij de op? en overslag van teerhoudend asfalt kunnen optreden bij de combinatie van een ongunstige windrichting, felle zon en/of een hoge buitenluchttemperatuur. Vergunninghoudster heeft ter zitting verklaard dat reeds maatregelen zijn genomen die, voorzover al geuremissie vanwege deze activiteit optreedt, geurhinder voor omwonenden nagenoeg geheel voorkomen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat met de aan de vergunning verbonden voorschriften een toereikend beschermingsniveau tegen de eventuele geurhinder wordt geboden.

Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.9. Verweerders hebben onder meer de volgende geluidvoorschriften aan de vergunning verbonden.

In voorschrift 4.1 is bepaald dat het equivalente geluidniveau ter plaatse van 11 nader genoemde locaties de daarbij aangegeven waarden niet mag overschrijden.

In voorschrift 4.2 is bepaald dat het maximale geluidniveau ter hoogte van de in voorschrift 4.1 genoemde woningen niet de waarden van 70, 65 en 60 dB(A) mag overschrijden in respectievelijk de periode tussen 07.00 en 19.00 uur, tussen 19.00 en 23.00 uur en tussen 23.00 en 07.00 uur.

In voorschrift 4.3 is bepaald dat het voorgaande voorschrift niet geldt tussen 19.00 en 23.00 uur voor de woning (…) 111 en tussen 19.00 en 07.00 uur voor de woning (…) 109 met betrekking tot het door transportbewegingen veroorzaakte geluid.

Verweerders hebben evengenoemde uitzondering toegestaan omdat, zo hebben zij gesteld, in de onderliggende vergunningen geen piekgeluidgrenswaarden voor deze activiteiten zijn vastgelegd en derhalve in zoverre sprake is van bestaande rechten en omdat geluidbeperkende maatregelen, gelet op de hoge hieraan verbonden kosten, niet in redelijkheid van vergunninghoudster kunnen worden verlangd.

2.9.1. De onderhavige inrichting is gelegen op het industrieterrein ‘Dammekant’, waarvoor ingevolge artikel 59 van de Wet geluidhinder een zone van rechtswege geldt, waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Er is sprake van een saneringssituatie als bedoeld in artikel 71 van de Wet geluidhinder, omdat zich binnen de zone woningen bevinden met een hogere geluidbelasting dan 55 dB(A). Verweerders hebben gelijktijdig met het bestreden besluit het aan de Minister van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor te leggen programma van maatregelen om de geluidbelasting vanwege het industrieterrein te beperken tot 55 dB(A) vastgesteld. De ten hoogste toelaatbare waarden van de geluidbelasting van de gevels van de woningen waarop de sanering ziet, waren ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet door de minister vastgesteld, evenmin als de eventuele maatregelen als bedoeld in artikel 72, vierde lid, van de Wet geluidhinder.

2.9.2. De Afdeling overweegt dat eerst nadat de in de artikelen 71 en 72 van de Wet geluidhinder neergelegde procedure is gevolgd, kan worden bepaald welke nadere geluidvoorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden. In een situatie als hier aan de orde, moet in afwachting van de afronding van de sanering als bedoeld in de artikelen 71 en 72 van de Wet geluidhinder, de door de inrichting – met inbegrip van eventuele uitbreidingen daarvan – veroorzaakte geluidbelasting worden vergund, tenzij de geluidbelasting vanwege het industrieterrein tengevolge hiervan op de zonegrens de waarde van 50 dB(A) overschrijdt. Uit het akoestisch rapport van dgmr raadgevende ingenieurs B.V. van 10 februari 1999 blijkt dat de geluidbelasting vanwege de inrichting de totale geluidbelasting van het industrieterrein deze waarde niet overschrijdt. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen grond voor het oordeel dat het voornoemde akoestisch onderzoek op verkeerde uitgangspunten is gebaseerd of dat de geluidmetingen en -berekeningen onjuist zijn. Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestond in dit geval een lager beschermingsniveau vast te stellen dan is vastgelegd in voorschrift 4.1.

Met betrekking tot de piekgeluidgrenswaarden overweegt de Afdeling als volgt.

In de Wet geluidhinder en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten worden geen grenswaarden gesteld ten aanzien van piekgeluiden veroorzaakt door het in werking zijn van inrichtingen. Ter invulling van hun beoordelingsvrijheid bij het vaststellen van de voor de inrichting geldende piekgeluidgrenswaarden hebben verweerders aansluiting gezocht bij de circulaire Industrielawaai (hierna: de circulaire). Volgens de circulaire, voorzover hier van belang, dienen piekgeluidgrenswaarden bij voorkeur te worden bepaald op 10 dB(A) boven de getalswaarde voor de equivalente geluidgrenswaarden, doch maximaal op een etmaalwaarde van 70 dB(A). Laatstgenoemde waarde kan in bepaalde in de vergunning vast te leggen situaties worden overschreden tot maximaal 75 dB(A).

Blijkens het akoestisch rapport treden in de dagperiode als gevolg van activiteiten van het losschip piekgeluidniveaus op tot 72 dB(A). Blijkens dit rapport en het verhandelde ter zitting hebben verweerders beoogd voor de dagperiode een hogere grenswaarde vast te stellen, maar is verzuimd dit in voorschrift 4.2 vast te leggen. Voorschrift 4.2 is in zoverre genomen in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

Wat betreft de in voorschrift 4.3 toegestane uitzondering in de avond? en nachtperiode voor de piekgeluidbelasting in verband met transportbewegingen, overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens de stukken wordt als gevolg van transportbewegingen op het terrein van de inrichting de piekgeluidgrenswaarde in de avondperiode vijf maal en in de nachtperiode zes maal overschreden. De piekgeluidbelasting vanwege deze bewegingen bedraagt 69 dB(A) ter plaatse van (…) 109 en 63 dB(A) ter plaatse van (…) 111 en 113. De Afdeling is van oordeel dat verweerders onvoldoende hebben gemotiveerd waarom met voorschrift 4.3 niettemin een toereikend beschermingsniveau wordt geboden. Zij neemt daarbij in aanmerking de frequentie waarmee en de mate waarin overschrijdingen van de piekgeluidgrenswaarden plaatsvinden en voorts de omstandigheid dat blijkens het akoestisch rapport maatregelen kunnen worden getroffen die de desbetreffende geluidbelasting substantieel verminderen.

Het beroep slaagt wat betreft de voorschriften 4.2 en 4.3.

2.9.3. Voorzover appellanten aanvoeren te vrezen voor een toename van de geluidhinder, veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting, overweegt de Afdeling, dat uit het systeem van de Wet geluidhinder volgt dat de geluidemissie van verkeersbewegingen op een openbare weg (op of buiten het industrieterrein) van en naar de inrichting die is gelegen op een gezoneerd industrieterrein, niet behoeft te worden getoetst aan de voor de inrichting geldende equivalente geluidgrenswaarden, die aansluiten bij waarden die ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer in acht moeten worden genomen, evenmin als aan piekgeluidgrenswaarden.

De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat in dit geval het stellen van verdergaande voorschriften niet noodzakelijk was.

2.10. Voorzover appellanten vrezen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet (zullen) worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze grond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en reeds om die reden niet kan slagen. Overigens voorziet de Algemene wet bestuursrecht in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.11. De beroepen zijn, voorzover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover verweerders daarbij onvoldoende hebben gemotiveerd waarom zij wat betreft het voorschrijven van maatregelen voor de stuifklassen S4 en S5 zijn afgeweken van de NeR en voorzover het de voorschriften 6.5 en 4.2 en 4.3 betreft.

2.12. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 2 te worden veroordeeld. Voor het overige is niet gebleken van voor een proceskostenveroordeling in aanmerking komende kosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 1 en appellanten sub 2 niet?ontvankelijk voorzover het de ligging in een natuurlandschap dan wel een ecologische zone en voorzover het de opslag van afvalstoffen, vrees voor neerslag van Pak’s in de bodem en nieuwe verwijderingsmethodes voor teer betreft;

II. verklaart de beroepen voor het overige gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 7 augustus 2000, kenmerk DWM/20000/9297, voorzover daarbij onvoldoende is gemotiveerd waarom wat betreft het voorschrijven van maatregelen voor de stuifklassen S4 en S5 is afgeweken van de NeR en voorzover het de voorschriften 6.5, 4.2 en 4.3 betreft;

IV. draagt gedeputeerde staten van Zuid-Holland op binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

V. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door appellanten sub 2 in verband met de behandeling van hun beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 25,36; het bedrag dient door de provincie Zuid?Holland te worden betaald aan appellanten sub 2;

VII. gelast dat de provincie Zuid?Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (ieder € 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Heusden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2002

274/163-318.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,