Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE0380

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2002
Datum publicatie
20-03-2002
Zaaknummer
200102561/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102561/1.

Datum uitspraak: 20 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

(…), wonend te (…),

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 maart 2001 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes van de gemeente Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 november 1998 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) op grond van de artikelen 21 en 24 van de Verordening geldelijke steun voorzieningen aan particuliere huurwoningen Amsterdam 1987 (hierna: de Verordening) de aan appellant verleende bijdrage-ineens van ƒ 129.844,00 (€ 58.920,64) met 75% van 3/4 deel verminderd en gewijzigd vastgesteld op ƒ 56.806,75 (€ 25.777,78) en een bedrag van ƒ 73.037,25 (€ 33.142,86) teruggevorderd.

Bij besluit van 23 februari 1999 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de bezwaarschriftencommissie, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 26 maart 2001, verzonden op 9 april 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 juni 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 juli 2001 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. G.J.A. Wiekart, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. L. van Heezik en M. Hageman, beiden ambtenaar van Stadsdeel De Baarsjes, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening kan aan een eigenaar een bijdrage-ineens worden verstrekt ter tegemoetkoming in de kosten van het treffen van voorzieningen aan te verhuren of verhuurde woningen.

Ingevolge artikel 21, aanhef en onder a, van de Verordening wordt de bijdrage-ineens toegekend onder de voorwaarde dat de eigenaar het onroerend goed niet onder bijzondere titel in eigendom overdraagt binnen tien jaren na uitbetaling van de bijdrage-ineens.

Ingevolge hetzelfde artikel, aanhef en onder b, voorzover hier van belang, wordt de bijdrage-ineens toegekend onder de voorwaarde dat de woning waaraan de voorzieningen zijn getroffen niet aan de bestemming tot huurwoning wordt onttrokken.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Verordening, voorzover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bij overtreding van de voorwaarde als bedoeld in artikel 21 bevoegd de verstrekte bijdrage-ineens terug te vorderen, zulks met een maximum van 75% in het eerste jaar na de verstrekking van de geldelijke steun en daarna met een telkens geringer percentage als neergelegd in een in dit artikellid neergelegde tabel. Ingevolge het tweede lid van dit artikel bestaat, voorzover hier van belang, met betrekking tot de voorwaarde vermeld in artikel 21, leden 1 en 2, bij de eigenaar een meldingsplicht, indien van deze voorwaarde wordt afgeweken. Ingevolge het derde lid van artikel 24 wordt bij niet naleven van de meldingsplicht ongeacht het aantal verstreken jaren 75% van de verstrekte bijdrage-ineens teruggevorderd.

De Afdeling stelt vast dat artikel 21 van de Verordening geen onderverdeling in leden 1 en 2 kent, maar is onderverdeeld in a, b en c. Met de aanduiding "leden 1 en 2" in artikel 24, tweede lid, bij artikel 21 is kennelijk bedoeld het bepaalde in artikel 21 onder a en b. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

2.2. Bij besluit van 11 mei 1989 hebben burgemeester en wethouders van Amsterdam onder de voorwaarden vermeld in de Verordening een bijdrage-ineens verstrekt ter tegemoetkoming in de kosten van de voorzieningen aan vier huurwoningen in het aan appellant in eigendom toebehorende pand aan de (…) te (…) met huisnummers 19hs, 19-I, 19-II en 19-III.

De bevoegdheid tot het terugvorderen van verstrekte bedragen op grond van de Verordening is ingevolge de Verordening op de Stadsdelen van de gemeente Amsterdam aan de onderscheiden dagelijkse besturen van de stadsdelen overgedragen.

Bij het primaire besluit heeft het dagelijks bestuur op grond van de artikelen 21 en 24 van de Verordening 75% van 3/4 deel van de toegekende bijdrage-ineens teruggevorderd, omdat was gebleken dat appellant, zonder daarvan melding te doen, op 15 maart, 8 juli en 22 december 1994 drie van de vier huurwoningen, te weten huisnummers 19-I, 19-II en 19-III had verkocht en daarmee tevens aan de bestemming tot huurwoning had onttrokken.

Bij de beslissing op bezwaar is het terugvorderingsbesluit gehandhaafd.

2.3. Niet in geschil is dat appellant de ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Verordening op hem rustende meldingsplicht niet is nagekomen, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur bevoegd was om tot terugvordering van 75% van 3/4 deel van de verstrekte bijdrage-ineens over te gaan.

Anders dan appellant in hoger beroep heeft betoogd, heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht overwogen dat, nu zowel in het door appellant ondertekende aanvraagformulier als in de subsidiebeschikking uitdrukkelijk is gewezen op de voorwaarden in de Verordening waaronder de bijdrage wordt verleend, onbekendheid met de meldingsplicht voor risico van appellant komt en hierin geen aanleiding kan worden gevonden voor het oordeel dat het dagelijks bestuur van zijn bevoegdheid tot terugvordering geen gebruik had mogen maken.

Evenzeer terecht en op juiste gronden heeft de rechtbank overwogen dat van willekeur en strijd met het gelijkheidsbeginsel niet is gebleken.

De rechtbank heeft verder met recht overwogen dat de terugvordering van een deel van de aan appellant verstrekte bijdrage haar grondslag vindt in het vervallen zijn van de aanspraak van appellant op dat bedrag doordat niet aan de daaraan verbonden voorwaarden is voldaan. De terugvordering is daarmee gericht op het herstellen van een met het recht strijdige situatie en niet op het bestraffen van appellant. Terecht heeft de rechtbank daarom geoordeeld dat het teruggevorderde bedrag niet - ook niet deels – valt aan te merken als een boete. Dat ingevolge het bepaalde in artikel 24 van de Verordening het teruggevorderde deel van het verstrekte bedrag groter is dan in geval de verkoop wel zou zijn gemeld, doet daaraan niet af, aangezien het ook in zoverre gaat om het niet voldaan zijn aan een voorwaarde, namelijk de meldingsplicht genoemd in het tweede lid van artikel 24 van de Verordening, waardoor ingevolge het derde lid een deel van de aanspraak is komen te vervallen. De Afdeling is van oordeel dat de rechtstreeks uit de Verordening voortvloeiende sanctie niet onevenredig is aan het doel een juiste toepassing van de geldende voorschriften te bewerkstelligen.

Voorzover appellant in hoger beroep nog heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur heeft gehandeld in strijd met hetgeen redelijkerwijs ingevolge artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de taakuitoefening noodzakelijk is, moet worden opgemerkt dat dit artikel, nu dit ziet op toezichthouders, zijnde natuurlijke personen, in dit geval niet van toepassing is. De Afdeling komt dan ook niet tot een ander oordeel dan de rechtbank.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. T.M.A. Claessens, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2002

119-384.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,