Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE0367

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2002
Datum publicatie
20-03-2002
Zaaknummer
200003711/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet
Natuurbeschermingswet 21
Loi concernant les Mines, les Minières et les Carrières
Mijnwet 1903
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 84 met annotatie van J.M. Verschuuren
JM 2002/63 met annotatie van Van der Meijden
JB 2002/121 met annotatie van MP
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200003711/1.

Datum uitspraak: 20 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Nederlandse Aardoliemaatschappij B.V.", gevestigd te Assen,

appellante,

en

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 21 februari 2000, kenmerken DNO 2000/697, DNO 2000/702, DNO 2000/703 en DNO 2000/704 heeft verweerder vergunningen als bedoeld in artikel 12 van de Natuurbeschermingswet geweigerd voor het uitvoeren van proefboringen op de locaties Ballonplaat en Ameland (Ballum) en gasboringen op de locaties Paesens, Moddergat en Lauwersoog.

Tegen deze besluiten heeft appellante bij brieven van 3 april 2000 een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 4 augustus 2000, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2000, heeft appellante tegen het uitblijven van beslissingen op de bezwaarschriften beroep ingesteld.

Deze brief is aangehecht.

Bij besluiten van 7 september 2000, kenmerken TRCJZ/2000/10941 en TRCJZ/2000/10943, heeft verweerder de bezwaren gericht tegen zijn besluiten van 21 februari 2000, kenmerken DNO 2000/703 en DNO 2000/704 (proefboringen Ameland (Ballum) en Ballonplaat) ongegrond verklaard.

Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij besluiten van 22 september 2000, kenmerken TRCJZ/2000/11741 en TRCJZ/2000/11742, heeft verweerder de bezwaren gericht tegen zijn besluiten van 21 februari 2000, kenmerken DNO 2000/697, DNO 2000/702 (gasboringen Paesens, Moddergat en Lauwersoog) ongegrond verklaard.

Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij brief van 29 september 2000 heeft appellante de Afdeling bestuursrechtspraak verzocht het door haar ingediende beroepschrift van 4 augustus 2000 te beschouwen als zijnde gericht tegen de besluiten van 7 en 22 september 2000. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 november 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 maart 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G.C.W. van der Feltz en mr. W.J.B. Claassen-Dales, advocaten te Den Haag, en W.D. Eijsink, deskundige, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.W. Verheijen, ambtenaar ten departemente en A. Littel, ambtenaar van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn verschenen. Tevens is de Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee, vertegenwoordigd door mr. J. Veltman, advocaat te Groningen en A. Woudstra, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. beroep tegen het uitblijven van beslissingen op de bezwaarschriften

2.1.1. Het beroep van appellante van 4 augustus 2000 is gericht tegen het uitblijven van beslissingen op haar bezwaarschriften van 3 april 2000.

2.1.2. Verweerder heeft bij besluiten van 7 september 2000 en 22 september 2000 alsnog op deze bezwaarschriften beslist.

Gelet hierop en nu appellante niet heeft kunnen aangeven waarin haar belang bij een oordeel met betrekking tot het uitblijven van beslissingen op haar bezwaarschriften is gelegen, is het procesbelang van appellante bij een uitspraak van de Afdeling op dit door haar ingestelde beroep komen te vervallen.

Het beroep is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk.

2.2. vergunningplicht proefboringen

2.2.1. In artikel 21, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet is bepaald dat een natuurmonument dat eigendom is van de Staat, kan worden aangewezen als staatsnatuurmonument.

Ingevolge artikel 21, derde lid, van deze wet is het beheer van een staatsnatuurmonument gericht op het behoud of herstel van het natuurschoon of van de natuurwetenschappelijke betekenis.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet is het verboden zonder vergunning van (thans) de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument of die een beschermd natuurmonument ontsieren.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, worden in ieder geval als schadelijk voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument aangemerkt handelingen, die de in de beschikking tot aanwijzing genoemde wezenlijke kenmerken van een beschermd natuurmonument aantasten.

Deze vergunningplicht strekt zich volgens vaste jurisprudentie ook uit tot handelingen die buiten het natuurmonument plaatsvinden en schadelijk of ontsierend zijn voor het natuurmonument (zogenoemde externe werking). Volgens vaste jurisprudentie is dit artikel ook van toepassing op staatsnatuurmonumenten.

2.2.2. Appellante is in de eerste plaats van mening dat de proefboringen op de locaties Ballonplaat en Ameland (Ballum) niet vergunningplichtig zijn op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet.

Appellante is van mening dat met het vergunningenstelsel op grond van de Natuurbeschermingswet hetzelfde belang wordt gediend als met het vergunningenstelsel op grond van de Mijnwet 1810 (het locatiebesluit). Naar haar mening is er slechts plaats voor de vergunning op grond van de Mijnwet 1810.

Voorts stelt appellante dat de tijdelijke aanwezigheid van de installaties voor de proefboringen niet kan leiden tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken van het staatsnatuurmonument Waddenzee.

2.2.3. Verweerder stelt dat de belangen die gediend zijn met de Mijnwet 1810 niet in die mate overeenkomen met de belangen die gediend zijn met de Natuurbeschermingswet dat toetsing aan de Mijnwet 1810 in de plaats zou kunnen worden gesteld van de toetsing aan de Natuurbeschermingswet.

Verweerder is voorts van mening dat de proefboringen, die plaatsvinden buiten het staatsnatuurmonument Waddenzee, vergunningplichtig zijn op grond van de externe werking van de Natuurbeschermingswet. De op te richten installaties kunnen leiden tot een aantasting van de weidse en open horizon, een van de wezenlijke kenmerken van het staatsnatuurmonument Waddenzee.

2.2.4. De locatie Ballonplaat ligt ten noorden van Rottumeroog, op een afstand van ongeveer 3,8 kilometer van het staatsnatuurmonument Waddenzee. Voor de proefboring op deze locatie zal op een platform, dat ongeveer twintig meter boven de zee wordt uitgetild, een boortoren van ongeveer 65 meter hoog worden opgericht. Bij een waterdiepte van zes meter steekt de installatie ruim 90 meter boven het water uit.

De locatie Ballum ligt op Ameland. De locatie ligt op ongeveer 2 kilometer van het staatsnatuurmonument Waddenzee. Op het terrein zal een boortoren van ongeveer 55 meter hoog worden opgericht.

2.2.5. Voor de proefboringen op de locaties Ballonplaat en Ameland (Ballum) dient de minister van Economische Zaken op grond van de Mijnwet 1810 en 1903 en de daarop gebaseerde regelgeving goedkeuring te verlenen aan een zogenoemd locatiebesluit. Bij het nemen van een locatiebesluit dienen onder andere de belangen van natuur en landschap betrokken te worden.

De omstandigheid dat bij de besluitvorming in het kader van het locatiebesluit de belangen van natuur en landschap mede een rol spelen laat naar het oordeel van de Afdeling de specifieke toetsing met het oog op die waarden in het kader van de Natuurbeschermingswet onverlet. De eigen aard en het eigen karakter van de Natuurbeschermingswet vergen een afzonderlijke afweging van de bij de natuurbescherming betrokken algemene belangen ten opzichte van de individuele belangen van de aanvrager.

2.2.6. Bij besluit van 18 mei 1981 (Stscrt. 1981, 93) is een groot deel van de Waddenzee aangewezen als staatsnatuurmonument Waddenzee I. Bij besluit van verweerder van 17 november 1993 (Stscrt. 1993, 237) is bijna het volledige Waddenzeegebied, zoals vermeld in de Planologische Kernbeslissing Waddenzee (Tweede Kamer 1992 -1993, 22065, nr. 34) onder de werking van de Natuurbeschermingswet gebracht (Waddenzee II). De toelichting op deze aanwijzing vervangt de toelichting bij de beschikking van 18 mei 1981 en maakt als zodanig deel uit van beide aanwijzingsbeschikkingen.

2.2.7. In de aanwijzingsbeschikking wordt het natuurschoon in het Waddengebied - voor zover relevant - als volgt omschreven: "Het waddengebied wordt ervaren als een gebied van bijzondere landschappelijke schoonheid. Het weidse karakter, het vrije spel der elementen, de voortdurende wijziging van de grenzen van land en water en de grote vormenrijkdom bieden de mogelijkheid tot het opdoen van wisselende en boeiende ervaringen en zijn wezenlijke kenmerken van het gebied. Essentieel is dat de invloed van de menselijke activiteiten op het landschap in het niet zinkt bij het stempel dat de natuurlijke elementen op de Waddenzee drukken. Het landschap kenmerkt zich door zijn vrijwel ongeschonden en open karakter. Van wezenlijk belang is voorts de in het gebied heersende rust".

2.2.8. De Afdeling stelt vast dat de boortorens, gezien de hoogte en het open karakter van de omgeving waarin ze geplaatst worden, in de wijde omtrek zichtbaar zullen zijn. Gelet hierop is de Afdeling met verweerder van oordeel dat de voorgenomen proefboringen de hiervoor in de aanwijzingsbeschikking genoemde wezenlijke kenmerken en waarden van het staatsnatuurmonument Waddenzee kunnen aantasten. De omstandigheid dat de installaties voor de proefboringen slechts tijdelijk aanwezig zullen zijn kan aan het voorgaande niet afdoen.

2.2.9. De Afdeling is, gezien het voorgaande, van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat voor de proefboringen een vergunning nodig is op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet.

2.3. beroep tegen de geweigerde vergunningen voor gasboringen (22 september 2000) en proefboringen (7 september 2000)

2.3.1. Verweerder heeft de vergunningen voor de gasboringen op de locaties Paesens, Moddergat en Lauwersoog geweigerd. Hij overwoog dat het kabinet naar aanleiding van de Integrale Bodemdalingsstudie Waddenzee en de adviezen die daarover zijn uitgebracht, zich in zijn brieven van 5 november 1999 en 7 december 1999 op het standpunt heeft gesteld dat er vooralsnog duidelijke twijfel bestaat dat als gevolg van de gaswinning te Paesens, Moddergat en Lauwersoog geen bodemdaling optreedt die het unieke karakter van het Waddengebied als wetland blijvend aantast. Verweerder onderschrijft dit standpunt en is van mening dat er derhalve duidelijke twijfel bestaat over het achterwege blijven van mogelijk belangrijke gevolgen voor het ecosysteem van de Waddenzee. Het is niet uitgesloten dat de wezenlijke kenmerken en waarden van de Waddenzee, zoals beschreven in de toelichting op de aanwijzingsbeschikking, door de bodemdaling worden aangetast. Er is aanleiding voor toepassing van het voorzorgbeginsel. Verder staat het maatschappelijk belang van de gaswinning in de Waddenzee niet vast, zodat de maatschappelijke noodzaak niet is aangetoond.

2.3.2. Verweerder heeft de vergunningen voor de proefboringen op de locaties Ballonplaat en Ameland (Ballum) eveneens geweigerd. Hij heeft daartoe overwogen dat gelet op de geringe afstand van de boorlocaties tot het staatsnatuurmonument Waddenzee, de aard en omvang van de installaties, het affakkelen (Ballum) en de duur van de voorgenomen activiteit, sprake is van een zodanige zichthinder, dat de wezenlijke kenmerken en waarden van de Waddenzee worden aangetast. Een dergelijke aantasting kan alleen worden toegelaten indien dit noodzakelijk is vanwege een groot maatschappelijk belang bij het verrichten van de handeling. Het maatschappelijk belang van de proefboringen in het Waddengebied staat echter niet vast, nu er onvoldoende aanwijzingen zijn dat het onder de Waddenzee te winnen gas nodig is om te kunnen voorzien in de Nederlandse gasbehoefte.

Het belang van de NAM is volgens verweerder in hoofdzaak gelegen in het feit dat op een later tijdstip gaswinning kan plaatsvinden. Uit de hiervoor genoemde brieven van het kabinet van 5 november 1999 en 7 december 1999, blijkt dat het kabinet vooralsnog geen medewerking wil verlenen aan gasboringen in de Waddenzee. Volgens verweerder is er geen maatschappelijk belang bij het toestaan van proefboringen die zichthinder opleveren als de eventueel aan te tonen gasvoorraden in het Waddengebied vervolgens niet mogen worden gewonnen.

2.3.3. Appellante stelt dat de vergunningen ten onrechte zijn geweigerd. Zij betoogt dat de proef- en gasboringen niet kunnen worden aangemerkt als een nieuwe activiteit als bedoeld in de PKB Waddenzee, zodat bij de beoordeling van de vergunningaanvraag niet het gehele toetsingskader uit de PKB dient te worden gehanteerd. Met name de toetsing aan het maatschappelijk belang is niet meer aan de orde. De eventuele zichthinder die bij de proefboringen aan de orde zou zijn, is bovendien reeds in het kader van de PKB Waddenzee afgewogen. De hiervoor genoemde brieven van het kabinet mogen niet bij de afweging betrokken worden. De inhoud daarvan strookt niet met het in de PKB Waddenzee neergelegde beleid.

Ten aanzien van de gasboringen stelt appellante dat verweerder een onjuiste uitleg en toepassing geeft aan het voorzorgbeginsel. Daarnaast stelt appellante dat zij erop mocht vertrouwen dat de vergunningen voor de gasboringen zouden worden verleend.

De tijdelijke aanwezigheid van de proefboorinstallaties kan niet leiden tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken van het staatsnatuurmonument.

Voorts stelt appellante dat verweerder ten onrechte haar financieel economische belangen bij de proef- en gasboringen niet bij de afweging heeft betrokken.

Appellante wijst er ten slotte op dat voor andere activiteiten in de Waddenzee, zoals zoutwinning en visserij, wel vergunningen worden verleend.

2.3.4. Blijkens de aanwijzingsbeschikking Waddenzee II en ingevolge de PKB Waddenzee dient een aangevraagde vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet te worden getoetst aan de hoofddoelstelling van voornoemde PKB, te weten een duurzame bescherming en een zo natuurlijk mogelijke ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied. Binnen de randvoorwaarden zijn menselijke activiteiten met een economisch en/of recreatieve betekenis mogelijk, mits voldoende afgewogen in het licht van de hoofddoelstelling. Voorgenomen activiteiten moeten daarom aan de doelstelling en beleidslijnen worden getoetst en hiertegen worden afgewogen. Daartoe is in de PKB Waddenzee een afwegingskader opgenomen. Indien een nadere afweging nodig is bij nieuwe activiteiten en bij uitbreiding of wijziging van bestaande activiteiten, wordt het volledige afwegingskader gehanteerd. Dit afwegingskader omvat, samengevat, de volgende onderdelen:

a. gebruik dient te worden gemaakt van de best beschikbare informatie;

b. het maatschappelijk belang en de locatiegebondenheid (translocatiebeginsel);

c. bij duidelijke twijfel over het achterwege blijven van negatieve gevolgen kiezen voor de Waddenzee (voorzorgbeginsel);

d. toepassing van de best uitvoerbare technieken;

e. bij tijdelijke of blijvende aantastingen dient betrokken te worden of de schade kan worden gecompenseerd passend binnen de hoofddoelstelling (compensatiebeginsel).

2.3.5. De Afdeling stelt voorop dat verweerder de gasboringen op de locaties Paesens, Moddergat en Lauwersoog en de proefboringen op de locaties Ballonplaat en Ballum terecht heeft aangemerkt als nieuwe activiteiten in de zin van de PKB Waddenzee. Verweerder heeft derhalve terecht het gehele afwegingskader uit de PKB Waddenzee betrokken bij de beoordeling van de vergunningaanvragen voor de gas- en proefboringen.

2.3.6. De PKB Waddenzee heeft naast het afwegingskader betrekking op beleidsuitgangspunten inzake opsporing en winning van diepe delfstoffen op grond waarvan vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid wordt gegeven over de toepassing door de rijksoverheid van het afwegingskader. Hierin is onder meer opgenomen dat het is toegestaan exploratieboringen te verrichten binnen de in concessie uitgegeven delen van het PKB-gebied als de mijnbouwmaatschappijen kunnen aantonen dat redelijkerwijs aannemelijk is dat eventuele gasvoorkomens van buiten het PKB-Waddenzeegebied geëxploiteerd kunnen worden. Gaswinning in de Waddenzee is ook alleen toegestaan als de gasvoorkomens van buiten het PKB-Waddenzeegebied geëxploiteerd kunnen worden. Anders dan appellante betoogt houdt dit niet in dat een eventuele aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het staatsnatuurmonument die het gevolg kan zijn van een proef- of gasboring op een bepaalde locatie al volledig is afgewogen in het kader van de vaststelling van de PKB Waddenzee. Een dergelijke afweging dient plaats te vinden in het kader van de vergunningverlening op grond van de Natuurbeschermingswet.

Voorts dient op grond van het afwegingskader bij de beoordeling van een vergunningaanvraag gebruik gemaakt te worden van de best beschikbare informatie. Na de vaststelling van de PKB Waddenzee is de Integrale Bodemdalingsstudie Waddenzee verschenen. Deze studie, de adviezen die hierover zijn uitgebracht en het standpunt dat het kabinet naar aanleiding hiervan heeft ingenomen kunnen dan ook bij de toetsing aan het afwegingskader niet buiten beschouwing worden gelaten. Dit geldt evenzeer voor het rapport "Monitoring effecten van bodemdaling op Ameland-Oost".

2.3.7. Bij de toetsing aan het afwegingskader, met name de toetsing aan het maatschappelijk belang bij de beoordeling van de aanvragen voor de proefboringen en de toetsing aan het voorzorgbeginsel bij de beoordeling van de aanvragen voor de gasboringen, heeft verweerder doorslaggevende betekenis toegekend aan het kabinetsstandpunt dat verwoord is in de brieven van 5 november 1999 en 7 december 1999.

Uit deze brieven blijkt - kort gezegd - dat het kabinet van mening is dat niet alle onzekerheden en twijfel over mogelijke blijvende aantasting van het unieke karakter van de Waddenzee als wetland, door de bodemdaling die het gevolg is van gaswinning, in voldoende mate zijn weggenomen. Daarom acht het kabinet thans geen basis aanwezig om de gevraagde vergunningen voor gasboringen op de locaties Paesens, Moddergat en Lauwersoog en voor de proefboringen op de locaties Ballum en Ballonplaat te verlenen. Het kabinet deelt voorts mee dat de komende jaren zullen worden benut om voortschrijdend inzicht te krijgen in de vraag of de resterende onzekerheden over de mogelijkheid tot het vervullen van sluitende voorwaarden kunnen worden weggenomen.

2.3.8. De Afdeling is van oordeel dat verweerder in redelijkheid dit kabinetsbeleid aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft kunnen leggen. Het feit dat dit beleid in het ontwerp van de derde nota Waddenzee is opgenomen, betekent niet dat dit niet reeds gevormd beleid kan zijn. De vigerende PKB biedt al ruimte voor een kabinetsstandpunt als verwoord in de brieven van 5 november 1999 en 7 december 1999. In de argumenten van appellante behoefde verweerder geen aanleiding te zien af te wijken van het in deze brieven vastgelegde beleid.

De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat tussen appellante en verweerder niet in geschil is dat de Integrale Bodemdalingsstudie Waddenzee en het rapport "Monitoring effecten van bodemdaling op Ameland-Oost" ten tijde van de bestreden besluiten de best beschikbare informatie was. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder op basis van deze informatie niet tot zijn standpunt ten aanzien van de effecten van bodemdaling door gaswinning op de waarden van de Waddenzee heeft kunnen komen. Het door appellante ingebrachte rapport "Effecten van bodemdaling door gaswinning op de Peazemerlannen" van oktober 2000 biedt hiervoor evenmin aanknopingspunten.

2.3.9. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in de bestreden besluiten ten aanzien van de gasboringen op de locaties Paesens, Moddergat en Lauwersoog, op grond van de best beschikbare informatie, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er duidelijke twijfel bestaat over het achterwege blijven van mogelijk belangrijke gevolgen voor het ecosysteem van de Waddenzee. De Afdeling deelt het standpunt van appellante dat verweerder daarbij een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het voorzorgbeginsel, niet.

Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de andere door appellante genoemde activiteiten in de Waddenzee, zoals zoutwinning, visserij en de aanleg van de NorNedKabel, waarvoor wel vergunning is verleend, wat betreft de aard van de gevolgen voor de wezenlijke waarden en kenmerken van de Waddenzee, niet te vergelijken zijn met gaswinning. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft dan ook geen doel.

Appellante mocht op grond van de omstandigheid dat zij voor het uitvoeren van proefboringen voorafgaand aan de thans voorgenomen gaswinningen vanaf de locaties Paesens, Moddergat en Lauwersoog alle benodigde vergunningen heeft gekregen, niet erop vertrouwen dat zij voor de voorgestane activiteiten tevens vergunning zou krijgen. Anders dan appellante is de Afdeling van oordeel dat verweerder aan de bestreden besluiten een niet onevenwichtige afweging van de belangen die gemoeid zijn met de bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden van de Waddenzee enerzijds en de belangen van appellante bij het kunnen uitvoeren van de gasboringen anderzijds, ten grondslag heeft gelegd.

2.3.10. De Afdeling is ten aanzien van de bestreden besluiten over de proefboringen op Ballum en Ballonplaat van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het zicht op de proefboorinstallaties in belangrijke mate zal worden gemitigeerd door de omgeving. De omstandigheid dat de installaties tijdelijk worden geplaatst doet bovendien niet af aan de zichthinder die van de installaties uitgaat.

Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de NorNedKabel, waarvoor wel vergunning is verleend, een activiteit betreft die niet te vergelijken is met een proefboring. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft derhalve geen doel.

Anders dan appellante is de Afdeling voorts van oordeel dat verweerder aan de bestreden besluiten een niet onevenwichtige afweging van de belangen die gemoeid zijn met de bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden van de Waddenzee enerzijds en de belangen van appellante bij het kunnen uitvoeren van de proefboringen anderzijds, ten grondslag heeft gelegd.

Op grond van het voorgaande en mede gezien het hiervoor gestelde ten aanzien van het kabinetsbeleid zoals neergelegd in de brieven van 5 november 1999 en 7 december 1999 is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen maatschappelijk belang is bij het toestaan van proefboringen die zichthinder opleveren als de eventueel aan te tonen gasvoorraden in het Waddengebied vervolgens niet mogen worden gewonnen.

2.3.11. Gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen de gevraagde vergunningen voor de gasboringen op de locaties Paesens, Moddergat en Lauwersoog en de proefboringen op de locaties Ballonplaat en Ballum te weigeren.

2.4. Verweerder dient in verband met het gestelde in overweging 2.1.2. op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet?ontvankelijk voorzover gericht tegen het uitblijven van beslissingen op de bezwaarschriften van 3 april 2000;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

III. veroordeelt de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 80,50, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van LNV) te worden betaald aan appellante.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en mr. J.J. Vis, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2002

12-388.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,