Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE0362

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2002
Datum publicatie
20-03-2002
Zaaknummer
200001223/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 166K
Milieurecht Totaal 2002/2468
JM 2002/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200001223/2.

Datum uitspraak: 20 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging van Ondernemingen in de Milieudienstverlening ten behoeve van de Scheepvaart", gevestigd te Schelluinen,

appellante,

en

gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2000, kenmerk 000378/30, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de gemeente Reimerswaal vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een havenontvangstinstallatie, gelegen op het perceel Meerpaalweg 1 bij de Koningin Julianahaven te Yerseke, kadastraal bekend gemeente Yerseke, sectie RMW Y, nummer 395. Dit aangehechte besluit is op 27 januari 2000 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 7 maart 2000, bij de Raad van State ingekomen op 8 maart 2000, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 juli 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2001, waar appellante, vertegenwoordigd door drs. A.C.P. Nijdam, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door P.W.D. Beijaard en A. Goud, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, vertegenwoordigd door J. Jansen, gemachtigde, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In de inrichting worden afgewerkte olie, bilgewater, vetten, poetsdoeken en oliefilters, verfblikken en verfrestanten, oude accu’s, oude batterijen en grofvuil, welke afvalstoffen afkomstig zijn van schepen in de haven van Yerseke, in ontvangst genomen en bewaard. De vergunning is verleend voor een periode van tien jaar. Op 18 juli 1994 is voor de havenontvangstinstallatie een oprichtings-vergunning verleend krachtens de Wet milieubeheer. Deze vergunning is vervallen op 18 juli 1999.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellante heeft de grond inzake de aanwezigheid van alternatieve middelen niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, worden in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder de gevolgen voor het milieu mede verstaan gevolgen die verband houden met de doelmatige verwijdering van afvalstoffen.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder het begrip doelmatige verwijdering van afvalstoffen verstaan zodanige verwijdering van afvalstoffen dat in ieder geval:

a. de continuïteit van de verwijdering wordt gewaarborgd;

b. de afvalstoffen met inachtneming van artikel 10.1 op effectieve en efficiënte wijze worden verwijderd;

c. de capaciteit aan afvalverwijderingsinrichtingen is afgestemd op het aanbod van te verwijderen afvalstoffen;

d. een onevenwichtige spreiding van afvalverwijderingsinrichtingen wordt voorkomen;

e. een effectief toezicht op de verwijdering mogelijk is, en

f. gewaarborgd is dat een inrichting voor het op of in de bodem brengen van afvalstoffen, nadat zij buiten gebruik is gesteld, geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Appellante betoogt dat de vergunning in strijd is met sectorplan 7 van het Meerjarenplan Gevaarlijke Afvalstoffen II, beleidsstandpunt van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Interprovinciaal Overleg, juni 1997 (hierna: MJP-GA II) vanwege de termijn waarvoor de vergunning is verleend en omdat het bewaren van scheepsafvalstoffen als zelfstandige activiteit daarin als niet doelmatig wordt aangemerkt. Appellante is van mening dat vanwege deze strijdigheden met het MJP-GA II een planafwijkingsprocedure doorlopen had moeten worden.

2.5.1. Verweerders voeren aan dat sectorplan 7 onvoldoende houvast biedt wat betreft de verwijderingsstructuur van scheepsafvalstoffen bestaande uit klein gevaarlijk afval (hierna: kga). Voor het beoordelen van de aanvraag met betrekking tot deze afvalstoffen hebben zij daarom mede gebruik gemaakt van sectorplan 1 dat specifiek betrekking heeft op kga. Verweerders wijzen erop dat de onderhavige inrichting reeds gedurende meer dan tien jaar een nuttige functie vervult in de verwijdering van afvalstoffen en dat de daarvoor verleende vergunning eerst is vervallen in het jaar voorafgaande aan het bestreden besluit. De inrichting wordt vrijwel uitsluitend bezocht door vissersschepen die de haven van Yerseke als thuishaven hebben. Zij is destijds opgericht om een lokaal knelpunt op te heffen. Verweerders wijzen erop dat zij van de stuurgroep MJP-GA II een gunstige reactie hebben ontvangen op de vraag of het hier in beginsel om een activiteit gaat die voor vergunning in aanmerking komt, mede gezien de omstandigheid dat het om kleine hoeveelheden afvalstoffen gaat en de onderhavige inrichting een belangrijke functie voor de verwijdering daarvan vervult.

2.5.2. Ingevolge artikel 10.26 van de Wet milieubeheer kunnen in de provinciale milieuverordening (hierna: PMV) regels worden gesteld omtrent de verwijdering van onder meer in de PMV aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen.

Ingevolge artikel 10.27 van de Wet milieubeheer kan tot de regels als bedoeld in artikel 10.26 behoren een verbod om in de PMV aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen buiten een inrichting te bewaren, te bewerken, te verwerken of te vernietigen zonder vergunning van gedeputeerde staten.

In Bijlage 5 van de PMV van Zeeland, zoals in werking per 1 februari 1999, wordt een inzamelvergunning van gedeputeerde staten verplicht gesteld voor gevaarlijke afvalstoffen afkomstig uit de scheepvaart, bestaande uit afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen, olie- en chemicaliënlading-restanten, olie- en chemicaliënhoudende mengsels, olie- en chemicaliënhoudende watermengsels, sludges en wasvloeistoffen.

Ingevolge artikel 4.3.4.0 van de PMV dient onder inzamelen te worden verstaan het ophalen van gevaarlijke afvalstoffen bij een persoon die zich van die afvalstoffen ontdoet door afgifte aan degene die die afvalstoffen ophaalt.

2.5.3. Blijkens het bestreden besluit hebben verweerders de vraag of het belang van een doelmatige verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen zich tegen vergunningverlening verzet, beantwoord aan de hand van het MJP-GA II.

Sectorplan 7 van het MJP-GA II heeft specifiek betrekking op de verwijdering van gevaarlijke scheepsafvalstoffen. In paragraaf 1 van dit sectorplan wordt een opsomming gegeven van hetgeen als scheepsafval is aan te merken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën:

- scheepsgebonden afval, met name machinekamerafval: bilge (incl. bilge-olie), afgewerkte olie, brandstofresten, schroefasvet en vetten;

- natte ladingsrestanten (incl. spoelwater met natte ladingsrestanten (slobs) en ballastwater);

- kga: oliehoudende poetsdoeken, verfblikken, oliefilters, brandstoffilters, accu’s, TL-buizen en druklampen, oplosmiddelen, koelvloeistof;

- droge ladingsrestanten en spoelwater met droge ladingsrestanten;

- huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen;

- herbruikbare ladingrestanten die worden teruggebracht in het ladingcircuit.

De laatste twee categorieën worden uitgezonderd van de werking van het MJP-GA II. Ten aanzien van de overige categorieën wordt in het sectorplan per afzonderlijke afvalstroom het beleid uiteengezet ten aanzien van het inzamelen en het bewaren daarvan.

2.5.4. De Afdeling overweegt dat de afvalstoffen die op grond van de vergunning in de inrichting ontvangen en bewaard mogen worden, gelet op paragraaf I van sectorplan 7, in drie verschillende afvalstromen onderverdeeld dienen te worden; elk met een eigen regime. De afgewerkte olie, het bilgewater en de vetten dienen aangemerkt te worden als scheepsgebonden afval; de poetsdoeken, oliefilters, verfblikken, verfrestanten, oude accu’s en oude batterijen als kga; het grofvuil als huishoudelijke dan wel bedrijfsafvalstoffen.

Ten aanzien van de laatste afvalstroom wordt in het MJP-GA II vermeld dat deze niet onder de werking daarvan valt. Met betrekking tot het kga hebben verweerders bij brief van 20 februari 2000 van de stuurgroep MJP bericht ontvangen dat vestiging van kga-depots bij sluizen en in havens onder beheer van de overheid conform het MJP-GA II is en dat in sectorplan 1, “Klein gevaarlijk Afval”, steun gevonden kan worden voor een positieve beoordeling van ontvangstvoorzieningen van kga onder beheer van gemeenten en sluizen. De Afdeling overweegt dat in sectorplan 1 ten aanzien van dergelijke overheidsdepots, waarbij een ‘brengsysteem’ wordt toegepast, wordt gesteld dat de vergunnningtermijn voor bewaren maximaal tien jaar bedraagt.

Wat betreft deze twee afvalstromen hebben verweerders zich, gelet op het voorgaande en gelet op de omstandigheid dat het hier een inrichting in beheer van een gemeente betreft, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verlening van de onderhavige vergunning in het belang is van een doelmatige verwijdering van afvalstoffen.

Ten aanzien van het scheepsgebonden afval overweegt de Afdeling het volgende. In het algemene deel van sectorplan 7 wordt erop gewezen dat het inzamelen van gevaarlijke scheepsafvalstoffen in de provinciale milieuverordeningen vergunningplichtig is gesteld. Voor alle inzamelvergunningen geldt dat de inzamelaar de afvalstoffen moet afgeven aan de bewerker zonder tussenopslag door derden. Bewaarvergunningen mogen alleen worden afgegeven aan inzamelaars, houders van bewerkingsvergunningen en aan havenontvangstinstallaties die een ontvangstplicht hebben op grond van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen. Gelet op paragraaf II van sectorplan 7 wordt zelfstandig bewaren, los van inzamelen, niet doelmatig geacht. De vergunningtermijn voor inzamelen bedraagt volgens het sectorplan maximaal vijf jaar.

In de inrichting worden geen activiteiten verricht om afvalstoffen op te halen, maar worden de afvalstoffen alleen in ontvangst genomen. Gelet op paragraaf II van sectorplan 7, waarin wordt gesteld dat inzamelvergunningen het recht geven tot het verzamelen met inzamelschepen, vaste voertuigen en eventueel inzamelvoertuigen en de definitie van inzamelen in artikel 4.3.4.0 van de PMV van Zeeland, dient bij inzamelen sprake te zijn van actief ophalen van afval. De inrichting kan dan ook niet worden aangemerkt als inzamelaar. Voorts vindt er in de inrichting geen bewerking van het afgegeven scheepsafval plaats. Tot slot staat tussen partijen vast dat de inrichting niet door de minister is aangewezen als havenontvangstinstallatie als bedoeld in de Wet voorkoming verontreiniging door schepen. De onderhavige inrichting voldoet, gelet op het bovenstaande, niet aan één van de in sectorplan 7 genoemde voorwaarden voor het verlenen van een bewaarvergunning. Nu de opsomming van deze voorwaarden, gelet op de tekst van het sectorplan, limitatief bedoeld is, is de verlening van een bewaarvergunning voor scheepsgebonden gevaarlijk afval derhalve niet in overeenstemming met het MJP-GA II.

Het besluit is, gelet op het voorgaande, in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dat vereist dat een besluit berust op een draagkrachtige motivering.

2.6. Appellante voert aan dat voorschriften ontbreken met betrekking tot de administratie, acceptatie, afgifte, en registratie van de afgegeven en van de geweigerde afvalstoffen en periodieke rapportage daarover aan het bevoegd gezag.

2.6.1. Verweerders hebben de voorschriften 4.1 en 4.3 aan de vergunning verbonden ter regulering van de registratie en weigering van de afgegeven bedrijfsafvalstoffen.

In voorschrift 4.1 is, voorzover thans van belang, bepaald dat ten aanzien van het registreren en de procedure voor het melden van de ontvangst en afgifte van gevaarlijke afvalstoffen gehandeld dient te worden conform het bepaalde in paragraaf 4.3.4 van de PMV en paragraaf 10.5.2 van de Wet milieubeheer.

In voorschrift 4.3 is bepaald dat partijen gevaarlijk afval welke door vergunninghouder worden geweigerd onverwijld schriftelijk gemeld dienen te worden bij de directie RMW, met opgave van naam en adres van de aanbieder en de reden waarom geweigerd is.

2.6.2. De Afdeling overweegt dat een juiste uitleg van het stelsel van de Wet milieubeheer met zich brengt dat ervan wordt uitgegaan dat aan een vergunning ingevolge die wet slechts die voorschriften worden verbonden die in aanvulling op de bepalingen van die wet nodig zijn. Daaruit volgt dat voorschriften die letterlijk of inhoudelijk overeenstemmen met de regeling die met betrekking tot hetzelfde onderwerp in bepalingen van of krachtens die wet is opgenomen of waarin wordt verwezen naar deze bepalingen niet aan een vergunning kunnen worden verbonden. Nu in voorschrift 4.1 ten aanzien van het registreren en de procedure voor het melden van de ontvangst en afgifte van gevaarlijke afvalstoffen wordt verwezen paragraaf 10.5.2 van de Wet milieubeheer en paragraaf 4.3.4 van de PMV is het bestreden besluit dan ook in zoverre in strijd met het systeem van de wet.

Verweerders hebben zich, nu in de inrichting geen be- of verwerking van het afgegeven kga plaatsvindt en mede gelet op de omstandigheid dat in paragraaf 10.5.2 van de Wet milieubeheer en paragraaf 4.3.4 van de PMV een uitgebreide regeling is opgenomen met betrekking tot de registratie van de afgifte en ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat afgezien kan worden van het opnemen van aanvullende voorschriften terzake. Ten aanzien van het ontbreken van voorschriften met betrekking tot de acceptatie van afvalstoffen overweegt de Afdeling dat in de aanvraag nauwkeurig is omschreven welke stoffen in de inrichting worden bewaard. Nu de aanvraag blijkens het dictum van het bestreden besluit daar deel van uitmaakt, hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat afgezien kan worden van het opnemen van voorschriften met betrekking tot de acceptatie van afvalstoffen. Ten aanzien van het ontbreken van een voorschrift met betrekking tot de weigering van gevaarlijke afvalstoffen ontbeert het beroep, gelet op het aan de vergunning verbonden voorschrift 4.3, feitelijke grondslag. Niet gebleken is dat dit voorschrift ontoereikend is.

2.6.3. Ingevolge artikel 10.32, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer dient de ontdoener van gevaarlijke afvalstoffen aan de ontvanger daarvan een omschrijving te verstrekken van aard, eigenschappen en samenstelling van die afvalstoffen.

Ingevolge artikel 10.33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer is de ontvanger van gevaarlijke afvalstoffen verplicht aan een door de provincie aan te wijzen instantie te melden de naam en het adres van degene van wie de afvalstoffen afkomstig zijn.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voorzover thans van belang, is het de ontvanger van gevaarlijke afvalstoffen verboden deze afvalstoffen in ontvangst te nemen zonder dat hem daarbij een omschrijving als bedoeld in artikel 10.32, onder a, wordt verstrekt.

Ingevolge artikel 10.35, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij PMV regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop aan de artikelen 10.31 tot en met 10.34 uitvoering dient te worden gegeven.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kunnen bij de PMV categorieën van gevallen worden aangegeven waarvoor de in de artikelen 10.31 tot en met 10.34 gestelde verplichtingen niet gelden. Indien aan dit lid toepassing wordt gegeven, wordt bij de verordening aan, kort weergegeven, de ontdoener en ontvanger van gevaarlijke afvalstoffen de verplichting opgelegd de in die bepalingen bedoelde gegevens te registreren op een daarbij aan te geven wijze.

Ingevolge artikel 4.3.4.1, eerste lid, van de PMV, voorzover thans van belang, worden de in artikel 10.32, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer bedoelde gegevens verstrekt voorafgaand aan de daadwerkelijke afgifte.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel geldt de verplichting van artikel 10.32, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer om een omschrijving aan de ontvanger te verstrekken niet voor de afgifte van scheepafvalstoffen als bedoeld in bijlage 5 onder 1 van de PMV vanaf zee- en binnenvaartschepen.

In bijlage 5 onder 1 worden als gevaarlijke afvalstoffen uit de scheepvaart genoemd: afgewerkte olie, olie- en chemicaliënhoudende mengsels, olie- en chemicaliënhoudende watermengsels, sludges en wasvloeistoffen.

In de artikelen 4.3.4.4, 4.3.4.5 en 4.3.4.6 van de PMV worden bepaalde categorieën ontdoeners en ontvangers vrijgesteld van de in de artikelen 10.31, eerste lid, en 10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer met de betrekking tot de gevaarlijke afvalstoffen opgelegde meldingsplicht.

Ingevolge artikel 4.3.4.7 van de PMV registreren personen die in de artikelen 4.3.4.4, 4.3.4.5 en 4.3.4.6 van de daarin genoemde meldingsplicht zijn vrijgesteld de in de wetsartikelen 10.31, eerste lid, en 10.33, eerste lid, bedoelde gegevens op een door het meldingspunt vast te stellen formulier.

Blijkens de toelichting op deze artikelen van de PMV houdt het vrijgesteld zijn van de meldingsplicht niet in dat de registratieverplichting en de verplichting tot het verstrekken van het omschrijvingsformulier daarmee eveneens vervallen.

2.6.4. Blijkens de aanvraag is de inrichting in werking zonder dat er personeel aanwezig is. Dit houdt in dat vergunninghoudster er ten aanzien van de afgegeven afvalstoffen geen zicht op heeft of de ontdoener heeft voldaan aan de ingevolge artikel 10.32, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer op hem rustende omschrijvingsverplichting en de ingevolge artikel 4.3.4.1, eerste lid, van de PMV op hem rustende verplichting de desbetreffende gegevens te verstrekken voorafgaand aan de daadwerkelijke afgifte. Weliswaar is in het tweede lid van artikel 4.3.4.1 van de PMV bepaald dat de omschrijvingsverplichting niet geldt voor de in bijlage 5 onder 1 genoemde scheepsafvalstoffen, maar de daar genoemde afvalstoffen stemmen grotendeels overeen met de in sectorplan 7 van het MJP-GA II gegeven omschrijving van de scheepsgebonden afvalstoffen en niet met de als kga aan te merken afvalstoffen. Derhalve heeft de in artikel 4.3.4.1, tweede lid, van de PMV opgenomen ontheffing van de omschrijvingsverplichting geen betrekking op het in de inrichting afgegeven kga.

Voorts kan vergunninghoudster niet voldoen aan de ingevolge artikel 10.33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer op haar als ontvanger rustende meldingsplicht wat betreft de naam en het adres van de ontdoener en het ingevolge het tweede lid van dat artikel tot haar als ontvanger gerichte verbod de afvalstoffen in ontvangst te nemen, indien niet aan de omschrijvingsverplichting is voldaan. Door verweerders is betoogd dat de inrichting ingevolge de PMV is vrijgesteld van de meldingsverplichting ingevolge onder meer artikel 10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De Afdeling overweegt dat, wat daar ook van zij, de in dit artikel bedoelde gegevens ingevolge artikel 4.3.4.7 van de PMV ook dan vastgelegd moeten worden.

Ingevolge artikel 8.9 van de Wet milieubeheer dient het bevoegd gezag er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor te dragen dat er geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens deze wet, dan wel bij of krachtens de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit, als gevolg van de omstandigheid dat daarin wordt toegestaan de inrichting zonder personeel in werking te hebben, in strijd met dit artikel.

2.7. Appellante betoogt dat er ten onrechte geen voorschriften met betrekking tot het gescheiden houden van afvalstoffen aan de vergunning zijn verbonden.

Verweerders hebben met betrekking tot dit aspect de voorschriften 3.2, 3.3 en 3.5 aan de vergunning verbonden. Ingevolge voorschrift 3.2 dienen, kort weergegeven, met elkaar reagerende gevaarlijke afvalstoffen gecompartimenteerd opgeslagen te worden. Ingevolge voorschrift 3.3 dienen de in de inrichting aanwezige gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot verschillende categorieën van elkaar en van andere afvalstoffen gescheiden te worden gehouden. Ingevolge voorschrift 3.5 dient, kort weergegeven en voorzover thans van belang, de verpakking van (gevaarlijke) afvalstoffen zodanig te zijn dat er niets van de inhoud uit de emballage kan ontsnappen of een gevaarlijke reactie dan wel een gevaarlijke verbinding kan aangaan.

De Afdeling overweegt dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat deze voorschriften toereikend zijn om de in de inrichting aanwezige gevaarlijke afvalstoffen van elkaar gescheiden te houden.

2.8. Het beroep, voorzover ontvankelijk, dient gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de aanwezigheid van alternatieve middelen betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 18 januari 2000, kenmerk 000378/30;

IV. gelast dat de provincie Zeeland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.J. Overdijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Overdijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2002

320.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,