Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE0361

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2002
Datum publicatie
20-03-2002
Zaaknummer
200002296/1 en 200002297/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200002296/1 en

200002297/1

Datum uitspraak: 20 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1. burgemeester en wethouders van Dongeradeel,

2. de Minister van Economische Zaken,

3. (…), gevestigd te (…),

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 1999 heeft de gemeenteraad van Dongeradeel, op voorstel van burgemeester en wethouders van 13 juli 1999, vastgesteld de bestemmingsplannen "Gaswinlocatie Moddergat" en "Gaswinlocatie Paesens".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluiten van 23 februari 2000, kenmerk MO/99-89376 en 24 februari 2000, kenmerk MO/99-89361, beslist over de goedkeuring van de bestemmingsplannen.

De besluiten van verweerders zijn aangehecht.

Tegen deze besluiten hebben appellanten sub 1 bij brief van 9 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2000, appellant sub 2 bij brief van 11 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2000, en appellante sub 3 bij brief van 11 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2000, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 22 september 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 september 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft deze zaken ter zitting behandeld op 18 december 2001, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door A.J. Folbert, ambtenaar van de gemeente, appellant sub 2, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, appellante sub 3, vertegenwoordigd door mr. G.C.W. van der Feltz en mr. W.J.B. Claassen, advocaten te Den Haag en verweerders, vertegenwoordigd door P. Postma, ambtenaar van de provincie,

zijn verschenen.

De gemeenteraad van Dongeradeel, vertegenwoordigd door A.J. Folbert, ambtenaar van de gemeente, is tevens gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Aan de orde zijn geschillen inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Het bestemmingsplan "Gaswinlocatie Moddergat" heeft betrekking op een nieuwe gaswinlocatie aan de Mokselbankwei te Moddergat. Het bestemmingsplan "Gaswinlocatie Paesens" heeft betrekking op een nieuwe gaswinlocatie nabij de Boltawei te Lioessens. Met beide plannen wordt beoogd de bouw van een installatie voor het winnen van gas van onder de Waddenzee mogelijk te maken. Aan de plangebieden is de bestemming "Doeleinden van delfstoffenwinning" toegekend.

2.4. Verweerders hebben bij de bestreden besluiten goedkeuring onthouden aan de bestemmingsplannen.

Verweerders verwijzen onder meer naar de brieven van het kabinet aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 5 november 1999 en 7 december 1999 en naar het besluit van 21 februari 2000, kenmerk DNO 2000/697 van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, waarbij de vergunning op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet voor de gasboring op de locaties Paesens en Moddergat werd geweigerd. Verweerders stellen dat zij met de Staatssecretaris van mening zijn dat het voorzorgbeginsel in de weg staat aan het verlenen van medewerking aan gasboringen in de Waddenzee, nu onvoldoende is komen vast te staan dat geen blijvende aantasting van de Waddenzee optreedt ten gevolge van de te verwachten bodemdaling naar aanleiding van de gaswinning. Door de weigering van de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet is de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet verzekerd.

Bij afweging van de belangen van de gaswinning tegen het natuurbelang, hebben zij aan laatstgenoemd belang doorslaggevende betekenis toegekend.

2.5. Appellanten sub 1 betogen dat zij, gezien de uitkomst van het vooroverleg op grond van artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, ervan uit mochten gaan dat de plannen zouden worden goedgekeurd. Bovendien hadden verweerders de wijziging van het kabinetsbeleid over gasboringen in de Waddenzee, welke wijziging plaatsvond na de vaststelling van de plannen, niet bij hun besluiten omtrent goedkeuring mogen betrekken. Voorts zijn appellanten sub 1 en 2 van mening dat verweerders een brief van de Inspecteur van de Ruimtelijke Ordening van 16 februari 2000 niet bij hun besluitvorming mochten betrekken.

Appellant sub 2 wijst erop dat het eventuele effect van bodemdaling op de waarde van de Waddenzee als gevolg van gaswinning in het kader van de vergunningverlening op grond van de Natuurbeschermingswet wordt beoordeeld.

Appellanten sub 2 en 3 zijn voorts van mening dat verweerders een verkeerde uitleg geven aan het rijksbeleid zoals neergelegd in de brief van 7 december 1999. Het kabinet houdt de mogelijkheid open dat de gaswinning de komende jaren alsnog wordt toegestaan. Appellanten sub 2 en 3 menen dan ook dat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet onzeker is.

2.5.1. De Afdeling overweegt dat het karakter van de toetsing van een bestemmingsplan door verweerders met zich brengt dat alle feiten en omstandigheden die zich tot aan het nemen van het besluit omtrent goedkeuring hebben voorgedaan in aanmerking moeten worden genomen. Verweerders mochten de brieven van het kabinet van 5 november 1999 en 7 december 1999 derhalve bij hun besluitvorming betrekken. Dat geldt evenzeer voor de brief van de Inspecteur voor de Ruimtelijke Ordening van 16 februari 2000, waarin deze zijn standpunt dat hij als lid in de subcommissie gemeentelijke plannen had ingenomen, nader heeft toegelicht.

De inhoud van de kabinetsbrieven was voor verweerders onder meer aanleiding om in de goedkeuringsprocedure een ander standpunt in te nemen dan de provinciale planologische commissie in het kader van het vooroverleg op grond van artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De Afdeling overweegt dat verweerders los van eerder naar voren gebrachte standpunten van de provinciale planologische commissie of een provinciale dienst de bevoegdheid behouden alsnog goedkeuring te onthouden of te verlenen aan een plan of een plandeel, indien zij daartoe - op gronden in het besluit vermeld - termen aanwezig achten.

2.5.2. Voor de gaswinning vanaf de locaties Paesens en Moddergat is op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet een vergunning vereist. Bij besluit van 21 februari 2000, kenmerk DNO 2000/697 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de aanvraag van appellante sub 3 afgewezen. De Staatssecretaris stelde zich op het standpunt dat er vooralsnog duidelijke twijfel bestaat dat als gevolg van de gaswinning te Paesens, Moddergat en Lauwersoog geen bodemdaling optreedt die het unieke karakter van het Waddengebied als wetland blijvend aantast. Er is dan ook naar zijn mening aanleiding voor toepassing van het voorzorgbeginsel.

Bij besluit van 22 september 2000, kenmerk TRCJZ/2000/11742, heeft de Staatssecretaris de bezwaren van appellante sub 3 tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 maart 2002 heeft de Afdeling het beroep van appellante sub 3 tegen dit besluit ongegrond verklaard (zaaknummer: 200003711/1).

2.5.3. Het kabinet heeft in zijn brieven aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 5 november 1999 en 7 december 1999 gesteld dat het kabinet vooralsnog niet wil overgaan tot het verlenen van vergunningen voor gaswinning in de Waddenzee, omdat niet alle onzekerheden en twijfel over mogelijke blijvende aantasting van de Waddenzee in voldoende mate zijn weggenomen. In de brief van 7 december 1999 is voorts vermeld dat de komende jaren zullen worden benut om voortschrijdend inzicht te krijgen in de vraag of de resterende onzekerheden over de mogelijkheid tot het vervullen van sluitende voorwaarden waaronder gaswinning kan plaatsvinden kunnen worden weggenomen.

2.5.4. Ingevolge artikel 33 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dient een bestemmingsplan, voor zover hier van belang, ten minste eenmaal in de tien jaren te worden herzien. Uit deze bepaling blijkt dat de wetgever een planperiode van tien jaar voor ogen staat.

De Afdeling acht het in beginsel niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening dat in een plan bestemmingen worden aangewezen waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze binnen de tienjarige planperiode niet zullen worden verwezenlijkt.

Op grond van de bovengenoemde stukken hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat moet worden aangenomen dat de in het plan aangewezen bestemming niet binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt. Uit de brief van het kabinet van 7 december 1999 blijkt weliswaar dat gaswinning in de Waddenzee in de toekomst niet wordt uitgesloten, maar op het moment waarop verweerders over de goedkeuring van de bestemmingsplannen dienden te beslissen, bestond er geen inzicht in het antwoord op de vraag of, in hoeverre en op welke termijn er voorwaarden zouden kunnen worden ontwikkeld op grond waarvan gaswinning in de Waddenzee alsnog zal kunnen worden toegestaan.

2.6. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plannen in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan de plannen.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bestreden besluiten anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op

12-388.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,