Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE0360

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2002
Datum publicatie
20-03-2002
Zaaknummer
200002838/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200002838/2.

Datum uitspraak: 20 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. (…), gevestigd te (…), en anderen,

2. (…), wonend te (…),

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2000, kenmerk CC 9350, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "B.V. Grint- en Zandexploitatie Maatschappij v/h Gebr. Smals" een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting ten behoeve van het ruimen van een onderwaterzanddepot in de (…) te (…). Dit aangehechte besluit is op 4 mei 2000 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 14 juni 2000, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2000, en appellant sub 2 bij brief van 10 juni 2000, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2000, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 13 september 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2002, waar verweerders, vertegenwoordigd door J. Brouns en ing. J. Kersic, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door

C. de Nijs, gemachtigde, en burgemeester en wethouders van Roermond, vertegenwoordigd door M.H.J. Roelofs, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Appellant sub 2 heeft zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit zijn verweerders onder meer ingegaan op de bedenkingen betreffende een depot van chemisch afval en een twee kilometer lange dijk. Appellant sub 2 heeft geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.2. Appellanten stellen dat er tussen de vergunde activiteit en andere activiteiten in het gebied een zodanige samenhang is, dat een milieu-effectrapportage had moeten worden opgesteld. Daarbij wordt er door appellanten sub 1 op gewezen dat de winning van restspecie leidt tot de vorming van een waterkering van circa 4 kilometer, de ophoging van het winterbed van de Maas met gemiddeld 2 meter met materiaal dat als afvalstof kan worden aangemerkt en voorts tot de bouw van 870 woningen buiten de bebouwde kom. Voorts stellen zij, met verwijzing naar categorie 16.1 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994, dat sprake is van een inrichting met een oppervlakte van meer dan 100 ha, en, met verwijzing naar categorie 18.5 van hetzelfde onderdeel, dat sprake is van het storten van niet-gevaarlijke afvalstoffen van meer dan 500.000 m3.

2.2.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Daarbij worden een of meer besluiten van bestuursorganen aangewezen, bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge het tweede lid kunnen tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, mede activiteiten behoren, die in samenhang met andere activiteiten belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu.

Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, ten aanzien waarvan het bevoegd gezag krachtens artikel 7.8b en 7.8d moet bepalen of voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij moet worden ondernomen, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Daarbij worden een of meer besluiten van bestuursorganen ter zake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan, indien het bevoegd gezag daartoe besluit, het in de eerste volzin bedoelde milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

Ter uitvoering van deze beide artikelen is het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna te noemen: het Besluit) tot stand gekomen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van de wet aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit, zoals dat artikellid bij Besluit van 7 mei 1999 (Stb. 1999, 224) is gewijzigd, worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de wet aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven. Indien een activiteit behoort tot een categorie van activiteiten die zowel in onderdeel C als in onderdeel D van de bijlage omschreven is en zij tevens voldoet aan de in de daarbij aangegeven categorieën van gevallen genoemde criteria, behoort zij tot de in onderdeel C omschreven categorie van activiteiten.

2.2.2. Met betrekking tot categorie 16.1 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit overweegt de Afdeling dat in die categorie als besluiten bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt, zijn aangewezen het besluit tot aanwijzing van een winplaats of een aantal winplaatsen dan wel, bij het ontbreken daarvan, het besluit, bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet. Nu het bestreden besluit de verlening van een oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer betreft en derhalve niet de in categorie 16.1 genoemde besluiten, is reeds om die reden niet op grond van deze categorie sprake van een mer-plichtig besluit.

In categorie 18.5 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit wordt als activiteit die belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu, aangewezen de oprichting van een inrichting bestemd voor het storten of het in de diepe ondergrond brengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen, niet zijnde baggerspecie.

Daargelaten of het in de inrichting aanwezige zand dient te worden aangemerkt als een afvalstof, overweegt de Afdeling dat de onderhavige inrichting bestemd is om dat zand te ruimen en niet om het te storten of in de diepe ondergrond te brengen. Daarom kan evenmin op grond van categorie 18.5 worden geconcludeerd dat het bestreden besluit mer-plichtig is.

Voorzover appellanten hebben gesteld dat vanwege de samenhang met andere activiteiten zoals de vorming van een waterkering, de ophoging van het winterbed van de Maas en de bouw van woningen, bij de voorbereiding van het bestreden besluit een milieu-effectrapport had moeten worden gemaakt, overweegt de Afdeling dat die activiteiten niet bij het bestreden besluit zijn vergund en dat ook niet is gebleken dat verweerders door die activiteiten niet in de onderhavige vergunningsprocedure te betrekken het inrichtingenbegrip in de Wet milieubeheer hebben miskend.

Het bestreden besluit is evenmin een besluit bij de voorbereiding waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of een milieu-effectrapport moet worden opgemaakt.

De beroepen van appellanten treffen in zoverre geen doel.

2.3. Appellanten sub 1 stellen dat verweerders ten onrechte een materiaalonderzoek niet nodig hebben geacht. Daarbij wijzen ze op de chemische opslag “Nijskens Nak”, die vroeger in de nabijheid van de Oolderplas was gelegen. Uit onderzoek zou blijken dat zich verhoogde concentraties afvalstoffen bevinden tussen dit afvaldepot en de Oolderplas. Volgens appellanten sub 1 duidt deze vervuiling op een reële mogelijkheid van vervuiling van het zand van de Oolerplas.

2.3.1. Verweerders hebben zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat van verontreiniging van gewonnen delfstoffen in het algemeen geen sprake is, omdat in het verleden ter plekke geen afvalstoffen zijn gestort.

2.3.2. In het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak wordt opgemerkt dat verspreiding van verontreiniging uit het afvalstoffendepot “Nijskens Nak” gevolgen zou kunnen hebben voor de klei of humusfractie in de directe omgeving, maar dat het niet aannemelijk is dat het zand in de Oolerplas verontreinigd is door uitloging van dit depot. Dit zou te maken hebben met het feit dat mobiele verontreinigingen zich niet kunnen hechten aan zanddeeltjes. Gelet hierop en nu appellanten sub 1 niet aannemelijk hebben gemaakt dat het te ruimen zand desondanks verontreinigd is, hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen materiaalonderzoek hoeft plaats te vinden. Het beroep van appellanten kan ook op dit punt niet slagen.

2.4. De beroepen van appellanten zijn ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.M.S. Leyten?de Wijkerslooth, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein?Schoonderwoerd en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Leyten-De Wijkerslooth w.g. Lap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2002

288.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,