Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE0358

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-03-2002
Datum publicatie
25-03-2002
Zaaknummer
H01.97.0519-A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

"Tweedagenregeling" voor het importeren van auto's uit het buitenland vormt een gerechtvaardigde beperking van het vrije verkeer van goederen in de zin van het EG-Verdrag.

Afgifte kentekenbewijs met als vermelding "Datum eerste toelating 060896".

Appellant betoogt dat de president ten onrechte heeft overwogen dat voormelde "tweedagenregeling" in de Regeling 1995, een handelsbelemmerende maatregel, als bedoeld in art. 30 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-Verdrag), oplevert, die niet wordt gerechtvaardigd door belangen van fraudepreventie of verkeersveiligheid. De prejudiciële vragen van de Afdeling zijn door het Hof van Justitie bij arrest van 12 oktober 2000 in zaak C-314/98 beantwoord.

Uit hetgeen het Hof van Justitie voor recht heeft verklaard, volgt dat de Regeling 1995 niet behoefde te worden genotificeerd.

Hetgeen het Hof van Justitie voor recht heeft verklaard brengt met zich dat moet worden nagegaan of de "tweedagenregeling", neergelegd in art. 4, derde lid, van de Regeling 1995, een gerechtvaardigde beperking vormt van het vrije verkeer van goederen in de zin van art. 30 van het EG-Verdrag (thans, na wijziging, art. 28). Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie kunnen beperkingen van het vrije verkeer van goederen worden gerechtvaardigd door dwingende vereisten als de bescherming van de verkeersveiligheid en de bescherming van het milieu. De krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw) vastgestelde regels strekken onder meer tot het bevorderen van de veiligheid op de weg en het beschermen van weggebruikers en passagiers - en zijn derhalve gericht op de verkeersveiligheid - en kunnen tevens strekken tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade, alsmede de nadelige gevolgen voor het milieu. Het zo zuiver mogelijk bepalen van de datum van eerste toelating tot het verkeer, zoals in de, tot uitvoering van de Wvw strekkende, Regeling 1995 is vastgelegd, dient ter bescherming van die belangen, die een handelsbelemmering kunnen rechtvaardigen.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moet vervolgens worden nagegaan of de beperking van het vrije verkeer van goederen die de voorwaarde specifiek voor parallelimporteurs meebrengt, noodzakelijk is om de verkeersveiligheid te waarborgen en/of het milieu te beschermen, en of die beperking niet onevenredig is aan die doelstellingen, met name in die zin dat het niet mogelijk is andere, minder beperkende maatregelen vast te stellen. Niet is gebleken dat op een minder beperkende wijze dan door toepassing van de zogenoemde tweedagenregeling is te verzekeren dat in feite van een nieuwe en ongebruikte auto sprake is. Gelet daarop bestaat geen grond voor het oordeel dat de beperking van het vrije verkeer van goederen in dit geval niet noodzakelijk dan wel onevenredig is in vorenbedoelde zin.

De president heeft dit miskend.

De Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer te Zoetermeer, appellant.

mrs. P. van Dijk, R.H. Lauwaars, R.W.L. Loeb

EG-Verdrag 30 (thans: 28)

EG-Richtlijn 83/189/EEG, zoals gewijzigd door EG-Richtlijn 88/182/EEG

EG-Richtlijn 94/10/EG

Wegenverkeerswet 1994

Regeling houdende vaststelling van regels omtrent de wijze waarop de datum van eerste toelating tot de openbare weg op het kentekenbewijs dan wel het registratiebewijs van een voertuig wordt bepaald (Stcrt. 1994, 241) 4.3, 5, 6 (Regeling 1995)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

H01.97.0519-A.

Datum uitspraak: 13 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer, gevestigd te Zoetermeer,

appellant,

tegen de uitspraak van president van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 3 april 1997 in het geding tussen:

A Auto’s B.V., gevestigd te B

en

appellant.

1. Procesverloop

Op 10 januari 1997 heeft appellant voor de door A Auto's B.V. (hierna: A) vanuit Duitsland in Nederland ingevoerde personenwagen van het merk […], type […], chassisnummer […] (hierna: het voertuig), een kentekenbewijs afgegeven met, voorzover thans van belang, als vermelding op Deel I onder bijzonderheden: "Datum Eerste toelating 060896".

Bij besluit van 13 februari 1997 heeft appellant het door A daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 april 1997, verzonden op dezelfde datum, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Almelo (hierna: de president) het door A daartegen ingestelde beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 1997, hoger beroep ingesteld. Bij brieven van 9 mei 1997 en 31 oktober 1997 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld. Beide laatste stukken zijn aangehecht.

Bij brief van 23 december 1997 heeft A een memorie ingediend.

De zaak is op 21 januari 1998 ter zitting van de Afdeling behandeld.

Bij uitspraak van 10 augustus 1998, inzake no. H01.97.0519, heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) verzocht, bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over een aantal daarin verwoorde vragen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij arrest van 12 oktober 2000 in zaak C-314/98 heeft het Hof van Justitie geantwoord. Het arrest is aan deze uitspraak gehecht.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 26 juni 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Ludding, advocaat te Den Haag, en A, vertegenwoordigd door mr. W.B.J. van Overbeek, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Nadat het onderzoek ter zitting was gesloten, heeft de Afdeling het heropend met het oog op de benoeming van deskundigen en partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.

Bij brief van 31 oktober 2001 heeft appellant een memorie ingediend en bij brief van 7 november 2001 heeft A dat gedaan.

Desgevraagd hebben appellant bij brief van 29 november 2001 en A bij brief van 13 december 2001 nadere memories ingediend.

Met instemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek opnieuw gesloten.

Overwegingen

Appellant heeft bij de beslissing op bezwaar aan de vermelding op Deel I onder bijzonderheden "Datum Eerste toelating 060896" nader ten grondslag gelegd dat, nu voor het voertuig in Duitsland een kentekenbewijs is afgegeven dat langer dan twee dagen, te weten zeven dagen, tenaamgesteld is geweest, artikel 4, derde lid, van de Regeling houdende vaststelling van regels omtrent de wijze waarop de datum van eerste toelating tot de openbare weg op het kentekenbewijs dan wel het registratiebewijs van een voertuig wordt bepaald (Stcrt. 1994, 241, hierna: de Regeling 1995) buiten toepassing blijft en de datum van eerste toelating dientengevolge wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5 en 6 van de Regeling 1995.

Appellant betoogt dat de president ten onrechte heeft overwogen dat voormelde “twee-dagenregeling” in de Regeling 1995 een handelsbelemmerende maatregel, als bedoeld in artikel 30 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-Verdrag), oplevert, die niet wordt gerechtvaardigd door belangen van fraudepreventie of verkeersveiligheid.

Voor de in aanmerking genomen feiten, de toepasselijke wettelijke voorschriften en de standpunten van partijen verwijst de Afdeling naar de aangehechte verwijzingsuitspraak.

De Afdeling heeft het Hof van Justitie verzocht, bij wege van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de volgende vragen:

1. Dient bij toepassing van Richtlijn 83/189/EEG, zoals gewijzigd door Richtlijn 88/182/EEG, op een op 9 december 1994 vastgestelde nationale regeling, tevens acht te worden geslagen op de na die datum door Richtlijn 94/10/EG aangebrachte wijzigingen, zulks mede gelet op de in de preambule van deze Richtlijn gebruikte bewoordingen?

2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: valt een regeling als de Regeling 1995 binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 83/189/EEG, zoals gewijzigd door Richtlijn 88/182/EEG en Richtlijn 94/10/EG?

3. Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord:

a. Dient de term "technische specificatie" in artikel 1, punt 1, Richtlijn 83/189/EEG, zoals gewijzigd door Richtlijn 88/182/EEG, aldus te worden uitgelegd, dat daaronder ook een regeling als de Regeling 1995 valt?

b. Zo neen, valt zulk een regeling onder artikel 1, punt 5, van de aldus gewijzigde Richtlijn ("technisch voorschrift")?

4. Is sprake van een door artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking, indien een nationale regeling inzake de afgifte van blanco kentekenbewijzen, die geen formeel onderscheid maakt tussen officiële importeurs en parallelimporteurs, het voor parallelimporteurs in feite moeilijker maakt om auto's met een blanco kentekenbewijs te leveren omdat zij uit het buitenland slechts gekentekende auto’s kunnen betrekken, en die regeling de afgifte van een blanco kentekenbewijs onder meer afhankelijk maakt van de omstandigheid dat de desbetreffende uit een andere lidstaat geïmporteerde auto niet langer dan twee dagen in die lidstaat gekentekend is geweest?

5. Indien vraag 4 bevestigend moet worden beantwoord, wordt een regeling als de Regeling 1995 dan gerechtvaardigd door het belang van de verkeersveiligheid en/of het milieu, zulks met name vanwege het verband van de regeling met de aan de auto te stellen eisen en de vaststelling van de ingangsdatum van een algemene periodieke keuringsplicht?

6. Indien vraag 5 bevestigend wordt beantwoord, moet zulk een handelsbelemmering evenredig worden geacht aan het met de nationale regeling inzake de afgifte van blanco kentekenbewijzen nagestreefde doel, indien die regeling geen bewijs van nieuwheid toelaat; is voor het antwoord op deze vraag van belang dat een parallelimporteur met zijn leverancier in een andere lidstaat kan overeenkomen dat die leverancier na afgifte van het buitenlandse kentekenbewijs opschorting van de aldus verleende toelating zal verzoeken en deze opschorting zal laten opheffen wanneer de parallelimporteur een kenteken in het land van invoer aanvraagt?

Bij zijn arrest van 12 oktober 2000, voormeld, heeft het Hof van Justitie naar aanleiding van de gestelde vragen als volgt voor recht verklaard:

1) Voor de beoordeling, of een nationale regeling als de Regeling 1995 een technisch voorschrift is waarvoor de mededelingsplicht geldt die is bepaald in richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988, dient geen rekening te worden gehouden met de latere wijzigingen aangebracht bij richtlijn 94/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 maart 1994 tot tweede substantiële wijziging van richtlijn 83/189.

2) Een nationale regeling als de Regeling 1995 valt niet onder de werkingssfeer van richtlijn 83/189, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182.

3) Een nationale regeling die voor de afgifte van een kentekenbewijs waarop als datum van eerste toelating tot het verkeer de datum van afgifte van dat kentekenbewijs staat vermeld, in het geval van ingevoerde voertuigen vereist, dat het voertuig niet langer dan twee dagen in een andere lidstaat gekentekend is geweest, vormt een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG).

4) Een dergelijke nationale regeling kan, ondanks de beperkende gevolgen ervan voor het vrije verkeer van goederen, worden gerechtvaardigd door dwingende vereisten als de verkeersveiligheid en/of de bescherming van het milieu, indien komt vast te staan, dat de daaruit voortvloeiende beperking noodzakelijk is om de verkeersveiligheid te waarborgen en/of het milieu te beschermen, en niet onevenredig is aan die doelstellingen, met name in die zin dat het niet mogelijk is andere, minder beperkende maatregelen vast te stellen.

Uit hetgeen het Hof van Justitie onder 1) en 2) voor recht heeft verklaard, volgt dat de Regeling 1995 niet behoefde te worden genotificeerd. Voor het, in verband met hetgeen in het arrest van het Hof van Justitie in de zaak C-194/94 (Securitel) is overwogen, buiten toepassing laten van die regeling is derhalve geen aanleiding.

Hetgeen het Hof van Justitie onder 3) en 4) voor recht heeft verklaard brengt met zich dat moet worden nagegaan of de “twee-dagenregeling”, neergelegd in artikel 4, derde lid, van de Regeling 1995, een gerechtvaardigde beperking vormt van het vrije verkeer van goederen in de zin van artikel 30 van het EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28). Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, waarnaar in voormeld arrest wordt verwezen, kunnen beperkingen van het vrije verkeer van goederen worden gerechtvaardigd door dwingende vereisten als de bescherming van de verkeersveiligheid en de bescherming van het milieu. Het is derhalve, aldus het Hof van Justitie in voormeld arrest (r.o. 55), niet uitgesloten dat nationale voorschriften als de onderhavige, die criteria voor de bepaling van de datum van eerste toelating tot het verkeer van een voertuig vaststellen, gerechtvaardigd kunnen zijn. De Afdeling overweegt in dit verband dat de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw) vastgestelde regels onder meer strekken tot het bevorderen van de veiligheid op de weg en het beschermen van weggebruikers en passagiers – en derhalve gericht zijn op de verkeersveiligheid - en dat krachtens de Wvw vastgestelde regels tevens kunnen strekken tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade, alsmede de nadelige gevolgen voor het milieu. Het zo zuiver mogelijk bepalen van de datum van eerste toelating tot het verkeer, zoals in de, tot uitvoering van de Wvw strekkende, Regeling 1995 is vastgelegd, dient ter bescherming van die belangen. Deze datum is van belang voor een juiste uitvoering van verschillende op de Wvw gebaseerde regelingen. Het gaat daarbij om de aan voertuigen te stellen toelatingseisen, onderscheidenlijk permanente eisen en de vraag naar de ingangsdatum van de algemene periodieke keuring. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat de belangen van bescherming van het milieu en van de verkeersveiligheid, waar het gaat om de bepaling van de datum van eerste toelating, een handelsbelemmering kunnen rechtvaardigen.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, waarnaar in voormeld arrest wordt verwezen, moet vervolgens worden nagegaan of de beperking van het vrije verkeer van goederen die de voorwaarde specifiek voor parallelimporteurs meebrengt, noodzakelijk is om de verkeersveiligheid te waarborgen en/of het milieu te beschermen, en of die beperking niet onevenredig is aan die doelstellingen, met name in die zin dat het niet mogelijk is andere, minder beperkende maatregelen vast te stellen. Niet langer, althans niet voldoende gemotiveerd, is betwist dat met eenvoudig, althans routinematig door de RDW uitvoerbaar, technisch onderzoek niet is vast te stellen of een als nieuw en ongebruikt ingevoerde auto in feite nieuw en ongebruikt is. De Afdeling heeft voorts geen reden om niet van de onmogelijkheid daarvan uit te gaan. Ook overigens is niet gebleken dat op een minder beperkende wijze dan door toepassing van de zogenoemde twee-dagenregeling is te verzekeren dat in feite van een nieuwe en ongebruikte auto sprake is. Gelet daarop bestaat geen grond voor het oordeel dat de beperking van het vrije verkeer van goederen in dit geval niet noodzakelijk dan wel onevenredig is in vorenbedoelde zin. De president heeft dit miskend.

Nu A niet een voor het voertuig in een ander land niet langer dan twee dagen tenaamgesteld kentekenbewijs heeft overgelegd, als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Regeling 1995, heeft appellant zich terecht op het standpunt gesteld dat ingevolge de Regeling 1995 voor het desbetreffende voertuig geen kentekenbewijs kon worden afgegeven met als datum van eerste toelating de datum van afgifte van deel I.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal doen wat de rechtbank zou behoren te doen en het beroep bij de rechtbank ongegrond verklaren.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de president van de rechtbank te Almelo van 3 april 1997, in zaak reg. nrs. 97/264 BESLU K1 V en 97/277 BESLU K1 A;

verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. R.W.L. Loeb, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2002

91.

Verzonden: