Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE0221

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2002
Datum publicatie
18-03-2002
Zaaknummer
200106237/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7789
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 117
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.103
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 313 met annotatie van I. Sewandono
JV 2002/127 met annotatie van BKO
RV20020055 met annotatie van Spijkerboer T.P. Thomas
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200106237/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's?Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 21 november 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie appellant een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 november 2001, verzonden op dezelfde dag , heeft de rechtbank te ’s?Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 december 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Appellant heeft op 6 maart 2000 een aanvraag ingediend tot toelating als vluchteling. Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) in werking getreden. De staatssecretaris heeft appellant op 25 april 2001 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend.

2.2. Ingevolge artikel 117, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in behandeling zijnde aanvraag tot toelating als vluchteling, aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van deze wet.

2.3. In grief 1 betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 117, eerste lid, van de Vw 2000 de mogelijkheid biedt hem een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen, nu de letterlijke tekst van de bepaling en de Memorie van Toelichting dit niet uitsluiten.

2.3.1. Ingevolge artikel 34 van de Vw 2000 kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 33, van de vreemdeling die, direct voorafgaande aan die aanvraag, gedurende drie achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten, als bedoeld in artikel 8, onder c, slechts worden afgewezen, indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond, als bedoeld in artikel 32 voordoet. De Vw 2000 biedt overigens geen grondslag voor verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, indien de vreemdeling ten tijde van de inwerkingtreding van de wet niet beschikte over enige verblijfstitel. Appellant beschikte op 1 april 2001 niet over enige verblijfstitel. De staatssecretaris heeft appellant derhalve terecht geen verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen. De grief faalt.

2.4. In grief 2 klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Vw 2000 onmiddellijke werking heeft. Aldus heeft zij volgens hem miskend dat in het reguliere vreemdelingenrecht een regel van eerbiedigende werking geldt, die is vastgelegd in artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) en deze regel ook in asielzaken geldt.

2.4.1. Artikel 3.103 Vb 2000 is niet van toepassing op de invoering van de Vw 2000 en het Vb 2000; het desbetreffende overgangsrecht is neergelegd in de hoofdstukken 9 van wet en besluit. De bepaling ziet op toekomstige wijzigingen in de vreemdelingenwetgeving. De grief faalt reeds om die reden.

2.5. In grief 3 betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het declaratoire karakter van de erkenning als vluchteling niet wordt aangetast door de Vw 2000. Zij heeft daarmee volgens hem miskend dat hij recht had op een zodanig tijdige en correcte beslissing, dat hij ruim vóór 1 april 2001 als vluchteling zou zijn toegelaten.

2.5.1. Ter verkrijging van een eerdere beschikking op zijn aanvraag heeft appellant gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om met toepassing van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar te maken tegen het mogelijk niet tijdig beslissen op die aanvraag. Appellant heeft dit niet gedaan. De grief faalt.

2.6. In grief 4 voert appellant aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat art. 117 Vw 2000 de mogelijkheid biedt om een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 28 van die wet, te verlenen, ook met ingang van een datum gelegen voor de inwerkingtreding van die wet.

2.6.1. Ook die grief faalt. De overweging van de rechtbank is juist. Ingevolge artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, verleend met ingang van de datum, waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle vereisten voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de datum, waarop de aanvraag is ontvangen. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat, nu het wettelijk overgangsrecht geen afwijkende bepaling behelst, toepassing van deze bepaling tot gevolg heeft dat de ingangsdatum van de krachtens de Vw 2000 te verlenen verblijfsvergunning ook vóór 1 april 2001 gelegen kan zijn.

2.7. Grief 5 betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bescherming die appellant door de verlening van de verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, onder a Vw 2000 geniet, niet verschilt van die, geboden aan de toegelaten vluchteling onder de oude Vreemdelingenwet en dat zij aldus ten onrechte geen vergelijking heeft gemaakt tussen de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en de vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a Vw 2000.

2.7.1. Deze grief kan evenmin tot het door appellant beoogde doel leiden. Het overgangsrecht, neergelegd in artikel 117 van de Vw 2000, is, zoals hiervoor is overwogen, door de rechtbank juist uitgelegd en toegepast.

2.8. In grief 6 klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu hij als verdragsvluchteling is aangemerkt, volledig tegemoet is gekomen aan zijn aanvraag, met daarin begrepen zijn materiële rechtspositie. Zij miskent volgens hem aldus dat hij slechts toegang tot de arbeidsmarkt heeft, indien de werkgever beschikt over een tewerkstellingsvergunning, en dat dit strijdig is met artikel 17 van het Vluchtelingenverdrag (hierna: Vv).

2.8.1. De grief faalt. De rechtbank heeft blijkens haar uitspraak wel de mogelijk nadeliger positie van appellant in aanmerking genomen, maar daar terecht niet de door appellant gewenste gevolgen aan verbonden. Het vereiste van een tewerkstellingsvergunning is niet strijdig met voormelde bepaling van het Vv, omdat door het stellen van het vereiste van een dergelijke vergunning voor de tewerkstelling van houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geen onderscheid wordt gemaakt tussen verdragsvluchtelingen en andere vreemdelingen, maar tussen vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor bepaalde en die met een vergunning voor onbepaalde tijd.

2.9. Ten slotte betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de wettelijke bepalingen duidelijk zijn en dat appellant met een beroep op het vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel of gelijkheidsbeginsel het bestreden besluit niet kan aantasten.

2.9.1. Deze grief faalt op grond van hetgeen hiervoor overwogen is omtrent grief 5 en omdat de rechter de wet in formele zin niet aan ongeschreven rechtsbeginselen toetst.

2.10. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. E.A. Alkema en mr. M. Vlasblom, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Zegveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2002

43-358.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,