Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE0087

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2002
Datum publicatie
12-03-2002
Zaaknummer
200102891/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200102891/1.

Datum uitspraak: 20 februari 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 2 mei 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 1998 heeft de korpschef van de politie Rotterdam Rijnmond de verlofaanvraag van appellant tot het voorhanden hebben van wapens en munitie behorende tot categorie III van de Wet wapens en munitie (hierna: de Wwm) afgewezen.

Bij besluit van 8 april 1999 heeft de Minister van Justitie (hierna: de Minister) het door appellant daartegen op grond van artikel 34 van de Wwm ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 mei 2001, verzonden op dezelfde datum, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door appellant tegen het besluit van de Minister ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 september 2001 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2001, waar appellant in persoon, bijgestaan door […] en […], en de Minister, vertegenwoordigd door J. van den Broek, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wwm is het verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel is het eerste lid niet van toepassing op personen die houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, voor zover dit verlof reikt.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Wwm wordt verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef in de woon? of verblijfplaats van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel wordt een verlof verleend indien een redelijk belang de verlening van het verlof vordert.

2.2. In de, op grond van artikel 38, tweede lid, van de Wwm vastgestelde, Circulaire wapens en munitie 1997 (hierna: de circulaire) heeft de Minister een nadere invulling gegeven aan het begrip redelijk belang. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat deze invulling niet kennelijk onredelijk of om andere redenen rechtens niet aanvaardbaar is.

2.3. Appellant, van 1992 tot eind 1997 werkzaam als medewerker van het Koninklijk Nederlands Leger en Wapen Museum te Delft, heeft verzocht om een verzamelverlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens van het merk SKS, type 45, kaliber 7.62 x 39, nummer AH 4199/75. De Minister heeft de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd, omdat appellant niet heeft voldaan aan de in hoofdstuk B, paragraaf 4.2.3., van de circulaire opgenomen criteria voor het aannemen van een redelijk belang bij het verzamelverlof.

2.4. Het hoger beroep is in de eerste plaats gericht tegen het oordeel van de rechtbank, dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verzameling van groot wapentechnisch belang is voor een bredere kring van personen.

De Afdeling is van oordeel dat appellant dit onderdeel tevergeefs bestrijdt. Blijkens de circulaire dient de aanvrager het wapentechnisch belang voor een bredere kring van personen, zoals andere wapendeskundigen (wapenhandelaren en wapentechnici bij wapen- of munitiefabrieken of bij de overheid) aannemelijk te maken, bijvoorbeeld aan de hand van publicaties of voordrachten over vuurwapens. Uit de verklaringen van referenten blijkt weliswaar dat appellant, die cursussen en lezingen heeft gegeven, als deskundige kan worden aangemerkt, doch hiermee is niet aangetoond dat de beoogde verzameling van groot wapentechnisch belang is. Voorts is met de belangstelling die de Nederlandsche Vereniging tot bevordering en instandhouding van vuurwapenverzamelingen "Edouard de Beaumont" voor de beoogde verzameling heeft getoond, nog niet voldaan aan het vereiste van een bredere kring van personen. Voor zover appellant de geringe belangstelling voor de beoogde wapenverzameling wijt aan de vraagstelling die aan de door de korpschef benaderde wapendeskundigen is voorgelegd, overweegt de Afdeling deze visie niet te delen. De adviesaanvraag, zoals door de korpschef aan deze deskundigen voorgelegd, bood voldoende ruimte voor een positieve beantwoording. Dat de benaderde personen onvoldoende deskundig zouden zijn, nu het gaat om cultureel-historische wapens, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Het vorenstaande is door de rechtbank niet miskend.

2.5. Voor zover het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het criterium van specialisatie uit de circulaire, is de rechtbank op juiste gronden tot de conclusie gekomen, dat het verzamelgebied niet zodanig is omschreven en afgebakend dat kan worden beoordeeld of appellant aan dit criterium voldoet. Het feit dat de verzameling van appellant uit ten hoogste tien wapens bestaat is niet bepalend voor de vraag of het te omschrijven gebied voldoende beperkt is. Het tegen dit onderdeel aangevoerde betoog faalt derhalve evenzeer.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten?Hinloopen en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Van Tielraden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2002

156-393.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,