Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AD9051

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2002
Datum publicatie
07-02-2002
Zaaknummer
200101288/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200101288/1.

Datum uitspraak: 30 januari 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Vereniging Stadsschoon Arnhem, gevestigd te Arnhem,

appellante,

en

gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2000 heeft de gemeenteraad van Arnhem, op voorstel van burgemeester en wethouders van 16 mei 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Rijnkade-Paradijs".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 9 januari 2001, no. RE2000.58892, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 12 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 13 maart 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 juni 2001 hebben verweerders te kennen gegeven dat het beroepschrift hun geen aanleiding geeft opmerkingen te maken.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 september 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door H.H. Bod, voorzitter van de vereniging, en verweerders, vertegenwoordigd door H. Wassink, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de raad van de gemeente Arnhem, vertegenwoordigd door mr. M.R. Hendriksen, ir. T. Ferwerda en mr. A.G.A.M. Meijers, ambtenaren van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op het centrale gedeelte van het Rijnkadegebied, genaamd Rijnkade-Paradijs, in het zuidelijke gedeelte van de binnenstad van Arnhem.

Met het plan wordt beoogd een opwaardering en herstructurering van dit deel van de binnenstad mogelijk te maken.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. De bezwaren van appellante hebben betrekking op het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden - nader uit te werken" dat ligt in het centrale deel van het plangebied. Zij brengt naar voren dat zij weliswaar voorstandster is van een structurele vernieuwing waarvoor het plan mogelijkheden biedt, maar dat zij het stedebouwkundig kader in het plan veel te ruim vindt. In dit verband wijst zij erop dat voor het oprichten van bebouwing binnen bedoeld plandeel geen maximaal bebouwingspercentage is opgenomen en dat 25% van het bestemmingsvlak, oftewel 7500 m2, mag worden bebouwd tot een hoogte van 45 meter. Zij is van mening dat de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 3 van de voorschriften geen juridisch bindende regelen bevat en dat hierin ten onrechte geen harde grenzen zijn gesteld aan de uitwerking.

2.4.1. Verweerders zijn van mening dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en hebben daarom goedkeuring aan het plan verleend. Zij komen in hun bestreden besluit tot de slotsom dat in het plan in voldoende mate is veiliggesteld dat geen uitwerking zal plaatsvinden die het realiseren van het door appellante bedoelde "megablok" mogelijk zal maken en verder dat in het plan een goede afstemming in maat en schaal van de nieuwbouw op de bestaande bebouwing in de omgeving voldoende is zeker gesteld. Voorts concluderen zij dat tegen de beschrijving in hoofdlijnen uit een oogpunt van rechtszekerheid geen overwegende bezwaren behoeven te bestaan. In dit verband hebben zij overwogen dat in elk geval de cursief aangegeven onderdelen voldoende concreet zijn om als toetsbare norm te kunnen dienen en dat er voldoende, niet-cursief weergegeven onderdelen zijn die door de gekozen formulering als bindend moeten worden beschouwd.

2.4.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, bevat de beschrijving in hoofdlijnen zowel bepalingen die zich richten tot burgemeester en wethouders (afstemming en instructie) als bepalingen die juridische binding beogen. De onderdelen die een toetsingsfunctie hebben of een uitwerkingsregel behelzen zijn cursief aangegeven. Voorts bevat de beschrijving in hoofdlijnen elementen van beschrijvende aard.

Uit deze bepalingen volgt dat bepalingen in artikel 3 die een juridische binding hebben cursief zijn weergegeven en dat bepalingen in dit artikel die niet cursief zijn weergegeven, geen juridisch bindende bepalingen bevatten. In verband hiermede oordeelt de Afdeling de opvatting van verweerders in hun bestreden besluit dat er voldoende, niet-cursief weergegeven onderdelen zijn die door de gekozen formulering als bindend moeten worden beschouwd, als onjuist. Hieraan kan niet afdoen dat in artikel 4, tweede lid, is bepaald dat de gemeenteraad de bestemming "Centrumdoeleinden - nader uit te werken" moet uitwerken met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen als aangegeven in artikel 3. Evenmin doet hieraan af artikel 3, tweede lid, onder d, waarin is voorgeschreven dat de verwezenlijking van het bestemmingsplan zal plaatsvinden met inachtneming van de nader beschreven kwalitatieve randvoorwaarden en voorzover van toepassing de kwantitatieve voorschriften in de uit te werken bestemming (artikel 11 Wet op de Ruimtelijke Ordening).

2.4.3. De Afdeling stelt vast dat de voorschriften van het plan in de beschrijving in hoofdlijnen waarop verweerders hun evenweergegeven conclusies hebben gebaseerd, te weten artikel 3, tweede lid, onder b, derde lid, onder e, f, en j, alsmede vijfde lid, onder "Beeldkwaliteit", niet cursief zijn weergegeven en dat deze voorschriften derhalve geen bindende bepalingen behelzen. De Afdeling acht dit in strijd met de rechtszekerheid, gezien de functie die deze bepalingen als uitwerkingsregels moeten vervullen. Door het plan niettemin goed te keuren, hebben verweerders in zoverre gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden - nader uit te werken."

Overigens zijn de bepalingen in de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 3, derde lid, onder j, en vijfde lid, onder "Beeldkwaliteit", ook indien deze wel cursief zouden zijn weergegeven, uit een oogpunt van rechtszekerheid evenmin voldoende duidelijk en concreet om als uitwerkingsregel te kunnen gelden, gelet op de hierin gebezigde formuleringen "een beperkt aantal verspreid gesitueerde woontorens" en "te formuleren hoge eisen van beeldkwaliteit".

2.4.4. In verband met het voorgaande behoeven de overige bezwaren die appellante in beroep heeft aangevoerd, geen bespreking meer.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland van 9 januari 2001, no. RE20000.58892, voorzover betreft het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden - nader uit te werken";

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II. genoemde plandeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. gelast dat de provincie Gelderland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht € 204,20 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2002

177

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,