Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AD9043

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2002
Datum publicatie
07-02-2002
Zaaknummer
200100858/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200100858/2.

Datum uitspraak: 30 januari 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Hamsterwerkgroep", gevestigd te Geleen,

de stichting "Stichting Dassenwerkgroep Limburg", gevestigd te Margraten, de stichting "Stichting Aktiegroep Industrieterrein Langveld", gevestigd te Simpelveld, de stichting "Stichting Milieufederatie Limburg", gevestigd te Maastricht, en de vereniging naar Duits recht "Naturschutzbund Deutschland e.V. Stadtverband Aachen e.V.", gevestigd te Aken (Duitsland),

appellanten,

en

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 1998, kenmerk T1/PG, heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de minister) aan de gemeente Heerlen inzake de hamster (Cricetus cricetus) een ontheffing als bedoeld in artikel 25 van de Natuurbeschermingswet verleend. De ontheffing geldt voor de gebieden waarop de bestemmingsplannen "Beitel-Zuid" en "Grensoverschrijdend bedrijventerrein GOB Aachen-Heerlen" betrekking hebben. De ontheffing is verleend van de verbodsbepalingen van artikel 24, eerste, tweede en derde lid, van de Natuurbeschermingswet, wat betreft het vangen, pogen te vangen, onder zich hebben en vervoeren van de hamster en het verstoren of beschadigen van zijn nest of hol.

Bij besluit van 1 juni 1999, kenmerk TRCJZ/1999/5399 en TRCJZ/1999/5398, heeft verweerder de hiertegen onder meer door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 april 2000, no. 199901039/1 [url('AA6571',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=20213)], heeft de Afdeling op onder meer het door appellanten ingestelde beroep beslist en het besluit van verweerder van 1 juni 1999 vernietigd.

Verweerder heeft bij besluit van 21 juli 2000, kenmerk TRCJZ/2000/9693, TRCJZ/2000/9630 en TRCJZ/2000/9596, opnieuw op de bezwaren beslist en deze ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 januari 2001, no. 200004163/1 [url('AA9523',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=23252)], heeft de Afdeling op onder meer het door appellanten tegen het besluit van 21 juli 2000 ingestelde beroep beslist en dit besluit van verweerder vernietigd.

Bij besluit van 14 februari 2001, kenmerk TRCJZ/2001/1767, heeft verweerder wederom op de bezwaren beslist en het door appellanten gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij fax-bericht van 22 februari 2001,

bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2001 beroep ingesteld.

Dit fax-bericht is aangehecht.

Bij brief van 8 juni 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en van de raad van de gemeente Heerlen, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ontwikkelingsmaatschappij Beitel Zuid B.V. en de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GOB Heerlen-Aachen N.V.. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 december 2001, waar appellanten, vertegenwoordigd door drs. J.W.M. Baars, bestuurslid van de Stichting Hamsterwerkgroep Limburg en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.G. Hofstede-Bron, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen. Voorts zijn de raad van de gemeente Heerlen, de Ontwikkelingsmaatschappij Beitel Zuid B.V. en GOB Heerlen-Aachen N.V., vertegenwoordigd door mr. A.J.H.W.M. Versteeg, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door

drs. R.F.M. Krekels, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De bestreden beslissing op bezwaar van 14 februari 2001 ziet op dat deel van het grondgebied van de gemeente Heerlen waarop de bedrijventerreinen "Beitel-Zuid" en "Grensoverschrijdend bedrijventerrein GOB Aachen-Heerlen" zijn voorzien.

2.2. Appellanten stellen dat voor het gehele gebied een ontheffing als bedoeld in artikel 25 van de Natuurbeschermingswet (hierna: Nbw) noodzakelijk is en deze geweigerd moet worden. Zij voeren daartoe aan dat ook na 1997 bewoonde hamsterburchten in het gebied zijn aangetroffen, niet alleen deze burchten maar het hele leefgebied van de hamsters als ontheffingsplichtig moet worden aangemerkt en reeds vernietigd leefgebied moet worden gecompenseerd.

2.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in dat deel van het gebied waarvoor geen ontheffing nodig is geacht, geen hamsters zijn waargenomen sinds 1 januari 1997. Hij beroept zich hierbij op het rapport van Raskin en op de resultaten van het door het bureau Natuurbalans ingestelde onderzoek. Hij betoogt dat het gebied slechts als verbindingszone van belang is en alleen als zodanig bescherming dient te genieten. Nu een ontheffing voor een deel van het gebied niet nodig is en voor het overige deel niet wordt verleend bestaat voor compenserende maatregelen geen aanleiding.

2.4. De Afdeling stelt allereerst vast dat het geding een aanvang heeft genomen met het besluit van de minister van 6 augustus 1998, waarbij een ontheffing inzake de hamster is verleend als bedoeld in artikel 25 Nbw. Bezwaren van appellanten die het kader van de ontheffing te buiten gaan kunnen derhalve thans niet aan de orde komen. De beoordeling van het bestreden besluit wordt voorts beperkt door hetgeen de Afdeling reeds heeft geoordeeld in haar uitspraak van 15 januari 2001.

2.4.1. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat verweerder zich, gelet op de adviezen van het bureau Natuurbalans, het instituut Alterra en het Expertisecentrum Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, in de beslissing op bezwaar van 21 juli 2000 in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een ontheffing nog slechts noodzakelijk was voor het gebied dat in de bijlage bij die beslissing gearceerd is weergegeven. De beslissing van verweerder met betrekking tot dat gearceerde gebied, namelijk dat de ontheffing daarvoor kan worden gehandhaafd, heeft de Afdeling evenwel op meerdere punten onzorgvuldig voorbereid en/of niet deugdelijk gemotiveerd geacht. Om die reden heeft de Afdeling de beslissing van 21 juli 2000 vernietigd. In de thans bestreden beslissing op bezwaar van 14 februari 2001 heeft verweerder de ontheffing van 6 augustus 1998 ingetrokken en beslist dat voor het gebied, dat in de bijlage bij de beslissing niet gearceerd is weergegeven, geen ontheffing nodig is. Met betrekking tot de wel gearceerde delen, waar in 1998 nog hamsterburchten zijn gevonden, heeft verweerder geweigerd een ontheffing te verlenen.

2.4.2. De Afdeling is van oordeel dat verweerder met deze beslissing op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 15 januari 2001. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder op grond van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de beslissing op bezwaar van 21 juli 2000 tot een andere beslissing had moeten komen. Appellanten hebben in hun beroepschrift gewezen op een rapport van Dr. U. Weinhold van het Zo├Âlogisch Instituut van de Universiteit van Heidelberg van oktober 2000, waarin is vermeld dat nog in 2000 in het gebied bewoonde hamsterburchten aanwezig zijn geweest. Ook hebben appellanten gewezen op het proces-verbaal van H. Crins van de Algemene Inspectiedienst van september 2000, waarin is vermeld dat werknemers hebben verklaard dat zij vermoedelijk een hamster op het terrein hebben waargenomen. Gelet op onder meer het door verweerder overgelegde rapport van Raskin van 19 februari 2001 en de resultaten van het door het bureau Natuurbalans naar aanleiding van de waarnemingen van de werknemers ingestelde onderzoek, behoefde verweerder de stelling van appellanten, dat in het niet-ontheffingsplichtige gebied in 2000 nog hamsters voorkwamen, evenwel niet aannemelijk te achten. De door appellanten overgelegde rapporten van W.R. van Mourik van 17 april 2001 en van drs. A.J.W. Lenders van 19 april 2001 geven geen grond voor een ander oordeel. Uit het rapport van drs. R.F.M. Krekels en drs. M. Dorenbosch van 30 april 2001 blijkt immers dat de gevonden burchten op Duits grondgebied lagen en bewoond werden door een bruine rat.

2.4.3. Voor het standpunt van appellanten dat het gehele leefgebied waar hamsters kunnen voorkomen bescherming zou moeten genieten bestaat, gezien het vorengaande, geen grond.

2.4.4. Voorts is de Afdeling van oordeel dat, nu het niet aannemelijk is dat in het niet-ontheffingsplichtige gebied nog hamsters voorkomen en de ontheffing voor de rest van het gebied is geweigerd, verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van de bestreden beslissing geen hamsters zullen worden verstoord. Voor het betoog van appellanten dat verweerder compenserende maatregelen had moeten treffen bestaat derhalve geen grond.

2.4.5. De bezwaren van appellanten inzake de onduidelijkheid van de kaart die bij het bestreden besluit was gevoegd kunnen niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand zou kunnen blijven. De Afdeling overweegt daarbij dat verweerder binnen enkele dagen na het nemen van het bestreden besluit een juiste kaart heeft overgelegd, waarvan de juistheid door appellanten is erkend. Niet gebleken is dat appellanten door deze gang van zaken in hun belangen zouden zijn geschaad.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

Bij verhindering van

de ambtenaar van Staat:

w.g. Hoekstra w.g. mr. B. Klein Nulent

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2002

85-338.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,